 |
(K.B. 12 december 1953)
Twee aaneengesloten schilden: het rechtse van zilver met een leeuw van sabel (zwart), geklauwd en getongd van keel (rood) en het linkse gedeeld, 1. van goud met een leeuw van keel, omsloten door een geleliede en tegengeleliede streep, binnenzoom van hetzelfde, 2. van keel met een degen, de punt naar onder gericht en over het geheel twee sleutels schuingekruist, de baarden naar boven en naar buiten gekeerd, het geheel van zilver. |