|

Volkscultuur
De Meldertse zandsteen

|
De grootste verwezenlijking van de abdij Affligem die met Meldert nauw verbonden was, is de ontginning van de zandsteengroeven in en nabij het Kravaalbos. Door deze onderneming heeft de abdij het arme dorpje, althans voor een paar eeuwen, de drukte en bedrijvigheid gegeven van een middeleeuwse stad. Dom Odo Cambier schreef in 1651: eertijds waren de steengroeven zo vermaard dat men er een groot deel van Mechelen en Antwerpen heeft mee opgetrokken. Het aantal steenkappers en andere werklui die daar arbeidden en in tenten woonden was zo groot dat het er toe ging als in een stad. Zelfs had men er reeds aan gedacht om op de uiteraard driehoekige dorpsdries, een marktdag te houden in het belang van kopers en verkopers van de fameuze zandsteen. Zowel de Aalstenaars als de Brusselaars hadden de grootste moeite om zulks te verhinderen. De monniken waren immers reeds in de 12de eeuw begonnen met het poelen van de zandstenen, het uit de poel, het moeras halen van de steen. Het charter van heer Bernerus van Moorsel uit 1151 spreekt er reeds over: hij zag af van zijn aanspraken op de grond, waaruit de monniken steen trokken. Door paarden werden de stenen uit de poel getrokken en via lage sleden vervoerd naar de nabijgelegen werf. De steen werd na delving onmiddellijk bewerkt op de werven. De hardheid kwam pas achteraf, nadat hij gedurende geruime tijd aan de lucht was blootgesteld. Het bestaan van de werven blijkt nog uit toponiemen als het 'Travoljeveld' (travail). De meeste groeven bevonden zich in of nabij het Kravaalbos. Kravaal komt van Car en Vaal, wat steengroef en dal betekent (vallei waarin een steengroef ligt). Een ander ontginningsgebied was in de buurt van het hof te Moorter, tussen de wijken Doment en Nievel. De steenkappers kwamen voornamelijk uit Wallonië. Ze woonden in een wijk genaamd Huizekens, die nu nog steeds zo genoemd wordt. De steen werd dan vervoerd langs de Putstraat, via de Dorpsdries over Kokerij en Klaarhaag naar Moorsel en verder naar 'den Aart' aan de Dender in Herdersem, 'daer men den steen te ontlaeden placht' volgens het boek der Kelderije uit 1456. Daar werd hij geladen op een schip en vervoerd tot in Duitsland en Frankrijk. De handel in zandsteen was zo belangrijk dat het vervoer per schip vrijgesteld werd van tol op de Hont (Westerschelde) in 1283-1285 door de plaatselijke ridders. In 1247 gaf heer Diederik, graaf van Kleef in Duitsland, vrije vaart in zijn gebied aan de met steen van Affligem bevrachte Affligemse schepen. Na een inzinking tijdens de 14de eeuw ten gevolge van oorlogen, kende de zandsteenontginning in de 15de eeuw een heropbloei. De abdij gaf het beheer van de groeven wel in handen van particuliere exploitanten vanaf 1456. Vanaf de 16de eeuw zocht men ook groeven in Asse en Zellik. Tegen de 17de eeuw beschouwde men de groeven in Meldert als uitgeput. De streek liep dan ook als het ware leeg, wat onder andere blijkt uit de toenmalige naam van het Hof te Putte, namelijk het hof te Woestijne. Een laatste poging tot ontginning in de 18de eeuw liep op niets uit vanwege de Franse Revolutie. Vele kerken en gebouwen in de omliggende dorpen werden gebouwd met de Meldertse zandsteen, maar ook de Sint-Martinuskerk te Aalst, de O.-L.-Vrouwkathedraal te Antwerpen, de Finisterraekerk te Brussel (Nieuwstraat), de St.-Pieterskerk te Leuven, de kerk van Alkmaar (Nederland), Kassel, Amiens, Amsterdam, ... |
Ontstaan der Meldertse zandsteen
De stenen, Balegemse zandsteen of zandsteen van Lede genoemd, ontstonden als volgt: de zavel waarin later de zandsteen werd gevormd, werd hier afgezet door de zee, die 40 miljoen jaar geleden tijdens het eoceen deze streken bedekte. Tot driemaal toe overspoelde de zee onze streken en telkens trok ze zich terug. Deze mariene oorsprong verklaart het groot aantal fossielen dat men hier vindt. Tal van primitieve leefvormen, waaronder weekdieren, stierven af toen ze in plassen achterbleven bij het terugtrekken van de zee. Zo ook de nautilus, een oergeslacht van koppotige weekdieren met een grote spiraalvormige schelp. De zandsteen ontstond door kalkneerslag uit het met kalk verzadigde grondwater, na terugtrekking van de zee. Dit kalkcement kitte de zandkorrels tot zandsteen aan mekaar.
Meestal kwamen de zandstenen voor in drie boven elkaar liggende lagen met een hoogte van vier tot zes meter. De steen heeft een groot nadeel. Hij is gevoelig aan vorstverwering (afvriezen) en vooral onderhevig aan chemische verwering door inwerking van zuur regenwater en roetbestanddelen. Dit brengt mee dat vele stenen na een min of meer lange tijdspanne moeten hernieuwd worden, omdat ze totaal verpuinden. Moderne bouwtechnieken en gebruik van duurzamer materialen hebben dan ook het einde betekend voor het bouwen van monumenten en belangrijke openbare gebouwen in deze Lediaanse zandsteen.

Monument ‘De Meldertse zandsteen’
Op vrijdag 25 augustus 1978 werd op de dorpsdries te Meldert een monument onthuld ter nagedachtenis van de zandsteenwinning. Een vijftiental reuzenstenen kwamen er aan te pas, allen ontgonnen in de zavelputten te Meldert. De verticaal staande steen is er een van rond de vier meter hoog waarvan één meter in de grond. Hij weegt een slordige acht ton en vertoont duidelijke sporen van fossielen. Aan de voet ligt de rest, horizontaal, gelaagd, zoals hij in de natuur meest voorkomt.

Sint-Apollonia, Sint-Petronilla, Sint-Rochus, wijkkermissen, …
|