Wapenschild • Monumenten • Volkscultuur: Hopteelt in de streek Asse-Aalst - De Meldertse zandsteen
Geschiedenis
De
naam Meldert wordt voor het eerst vermeld in 1151, bij gelegenheid
van een overeenkomst tussen de abdij Affligem en Bernerus, heer van Moorsel.
De schrijfwijze van de naam bleef in de loop van de eeuwen ongewijzigd. De betekenis
ervan blijft onzeker. Wellicht werd de naam afgeleid van een plant, de melde
of milde, die geteeld werd als groente in de trant van spinazie. Meldert
zou dan betekenen: grond met meldekruid.
De gemeente behoorde tot het Land van Asse en maakte aldus deel uit van het
Hertogdom Brabant. De heren van Asse oefenden er het bestuur uit. Ook de heren
van Moorsel en Wieze hadden eigendommen op Kokerij en Nievel, twee belangrijke
wijken van Meldert.
Het grootste deel van het dorp behoorde toe aan de nabijgelegen abdij van Affligem,
terwijl ook de vrouwenabdij van Vorst er uitgestrekte domeinen bezat. Tot 1259
vormden Baardegem en Meldert één parochie. De opgang en bloei
van Meldert hing zeer nauw samen met die van de Affligemse abdij. Deze bezat
hier onder andere het hof te Mutsereel en het hof te Putte, twee nog bestaande
gebouwen. De Affligemse bezittingen te Meldert rendeerden vooral door de uitbating
van de plaatselijke zandsteengroeven, waaruit de steen via de Dender te Herdersem
in grote delen van Europa werd verspreid. Net zoals de abdij Affligem werd Meldert
gebrandschat en vernield in de 14de, 16de, 17de en 18de eeuw.
Ongeveer één derde van de oppervlakte van het dorp bestond tot
in de 18de eeuw uit bos. Het Kravaalbos is daar nog een restant van. De totale
oppervlakte is zeer uitgestrekt en bedraagt 882 ha, het aantal inwoners bedraagt
op vandaag zowat 2.800.
Meldert is de meest landelijke en meest groene van de vier Faluintjesgemeenten.
Het was het centrum van de hopteelt in de streek Asse-Aalst, ook wel Klein
Poperinge genoemd. Meldert-vijver is een overblijfsel van de grote potvijvers
die de abdij Affligem in de streek had aangelegd voor viskweek en energie voor
de watermolens. De Mooie Molen (16de-eeuwse kern) aan de overkant is daar nog
een typisch voorbeeld van.
De voornaamste bezienswaardigheden zijn: de dries of het driehoekig dorpsplein,
een overblijfsel uit de Frankische periode, de 14de-eeuwse Sint-Walburgakerk
(met Van Peteghem-orgel) uit lokale witte zandsteen met geklasseerde kerkhofmuur
en kerkhof rondom de kerk, de nabijgelegen pastorie, de 16de-eeuwse Sint-Rochuskapel,
omgeven door enkele merkwaardige bomen, een groot aantal wegkapelletjes en boerderijen,
het hof te Mutsereel (17de eeuw) en het hof te Putte (17de eeuw).

![]() |
(K.B.
12 december 1953) Twee aaneengesloten schilden: het rechtse van zilver met een leeuw van sabel (zwart), geklauwd en getongd van keel (rood) en het linkse gedeeld, 1. van goud met een leeuw van keel, omsloten door een geleliede en tegengeleliede streep, binnenzoom van hetzelfde, 2. van keel met een degen, de punt naar onder gericht en over het geheel twee sleutels schuingekruist, de baarden naar boven en naar buiten gekeerd, het geheel van zilver. |
![]() |
Sint-Walburgakerk en kerkhofmuur, Eeckhoutstraat (monument – 10 mei 1973) |
![]() |
Kravaalbos, toegang via Putstraat (landschap – 13 oktober 1980) |
![]() |
Sint-Rochuskapel, Nedermolenstraat en onmiddellijke omgeving (monument en dorpsgezicht – 25 juli 1986) |
![]() |
Hof te Mutsereel, Mutsereelstraat 39 (monument, samen met bijgebouwen en koetshuis dorpsgezicht - 7 november 1997) |

Hopteelt in de streek Asse-Aalst
Wanneer
de eerste hopvelden in Aalst-Asse werden aangelegd is niet exact bekend, doch
in de 16de eeuw reeds was deze streek de naam hopstreek waardig. Zeker is dat
de hopteelt in de Faluintjesstreek werd ingevoerd door de Benedictijnen van
de abdij Affligem. In Vlaanderen werd hop gekweekt vanaf de 8ste eeuw. Te Aalst
werd in 1516 een Gilde van Hophandelaars gesticht. Deze Sint-Rochusgilde werd
eind de 19de eeuw ontbonden. Ze hield vooral toezicht op de misbruiken die er
op de markt bestonden bij het verhandelen van hop. Dit misbruik bracht de faam
van de Vlaamse hop in het gedrang. In de 17de eeuw overtrof de opbrengst van
het Land van Aalst de helft van de opbrengst van Europa. In 1719 vaardigde Karel
VI een ordonnantie uit tegen hopvervalsers. In 1767 bevestigde Maria-Theresia
deze ordonnantie en breidde ze zelfs uit: voortaan zou de hop die op de binnenlandse
markt werd verhandeld het stadsmerk moeten dragen.
Waar in de 16de eeuw elke brouwerij haar eigen hop verbouwde, ontstonden later
al snel hopmarkten om aan de toenemende vraag van hop te kunnen voldoen. De
stadsbevolking steeg snel en de bierproductie nam ook toe. Er waren markten
in Antwerpen, Ninove, Oudenaarde en vermoedelijk Brussel. In de 18de eeuw concentreert
de hophandel zich volledig in Aalst. De andere hopmarkten verdwenen. In Asse
was er vanaf 1888 een hopmarkt.
Tot eind de 19de eeuw kende de hopteelt hoogtes en laagtes. Zo betekende het
verlies van de Duitse markt in de Napoleontische tijd een grote klap. De Amerikanen
namen deze markt definitief in.
In 1907 voerden de Meldertse teler Karel Lodewijk Baert samen met Z.E.H. Godehardus
Heigl, abt van Affligem, afkomstig uit Beieren, de Hallertau in die een zeer
grote opbrengst voortbracht. Hallertau is een aromatische hop net zoals Saaz
en Goldings. Bittere hoppen zijn Brewers Gold, Northern Brewer, Record. In 1880
was er 2.594 ha hopteelt in de streek Asse-Aalst, of 62 % van alle teelt in
België. In 1937 werd op 280 ha hop geteelt door 933 planters in onze streek.
In 1961 werd ASCOHOP opgericht door 25% van de hoptelers in de streek Asse-Aalst.
Deze coöperatie diende om via een perfecte conditionering de afname van
de hop van hun leden onder goede voorwaarden te verzekeren. Ze zorgde voor lange
termijn contracten inzake afzet en garandeerde een homogene kwaliteit. Ze werd
opgeheven in 1979. In 1980 was het areaal geslonken tot 181 ha en 65 planters.
De hopteelt kwijnde stilaan weg in onze streken vanaf 1980. In 2004 zijn er
nog slechts twee hoptelers actief te Meldert, 1 in Erembodegem. De vermaarde
hoptelersfamilie Van Droogenbrock te Sint-Ulriks-Kapellen is gestopt in 2003.
De hop wordt niet enkel meer gekweekt voor de lupuline uit de hopbellen in de
brouwerijsector. Ook hopscheuten als dure lekkernij en volledige ranken als
decoratie zijn beperkte afzetmarkten. Toch ziet het er naar uit dat deze prachtige
cultuur binnen enkele jaren volledig uit onze streken zal verdwenen zijn.
![]() |
![]() |
![]() |
|
Diverse verenigingen in de Faluintjesstreek trachten het hopverleden te eren en in herinnering te brengen. De VVV De Faluintjes organiseert vanaf 2002 jaarlijks een hopscheutenfestival, waarbij in maart/april reeds voor meer dan 200 personen een feestmenu wordt geserveerd, rijkelijk voorzien van hopscheuten. Er is ook een hopjenever op de markt gebracht. De Baardegemse Objectieve Bierproevers organiseren op 15 augustus sinds 2001 een fietstocht in de streek waarbij de plaatselijke hop steeds in het middelpunt staat. De Heemkundige Kring De Faluintjes verzamelt alle archiefmateriaal met betrekking tot de hopteelt en brengt deze unieke cultuur regelmatig in de belangstelling met artikels in een tijdschrift en via tentoonstellingen. Ook andere verenigingen in Asse, Dilbeek, Affligem besteden regelmatig aandacht aan de hop. In Asse zijn er nog jaarlijks de hopfeesten, waarbij tweejaarlijks een stoet uitgaat. De hop en hopduvel staan centraal.

De
grootste verwezenlijking van de abdij Affligem die met Meldert nauw verbonden
was, is de ontginning van de zandsteengroeven in en nabij het Kravaalbos. Door
deze onderneming heeft de abdij het arme dorpje, althans voor een paar eeuwen,
de drukte en bedrijvigheid gegeven van een middeleeuwse stad. Dom Odo Cambier
schreef in 1651: eertijds waren de steengroeven zo vermaard dat men er een groot
deel van Mechelen en Antwerpen heeft mee opgetrokken. Het aantal steenkappers
en andere werklui die daar arbeidden en in tenten woonden was zo groot dat het
er toe ging als in een stad. Zelfs had men er reeds aan gedacht om op de uiteraard
driehoekige dorpsdries, een marktdag te houden in het belang van kopers en verkopers
van de fameuze zandsteen. Zowel de Aalstenaars als de Brusselaars hadden de
grootste moeite om zulks te verhinderen. De monniken waren immers reeds in de
12de eeuw begonnen met het poelen van de zandstenen, het uit de poel, het moeras
halen van de steen. Het charter van heer Bernerus van Moorsel uit 1151 spreekt
er reeds over: hij zag af van zijn aanspraken op de grond, waaruit de monniken
steen trokken. Door paarden werden de stenen uit de poel getrokken en via lage
sleden vervoerd naar de nabijgelegen werf. De steen werd na delving onmiddellijk
bewerkt op de werven. De hardheid kwam pas achteraf, nadat hij gedurende geruime
tijd aan de lucht was blootgesteld. Het bestaan van de werven blijkt nog uit
toponiemen als het 'Travoljeveld' (travail). De meeste groeven bevonden zich
in of nabij het Kravaalbos. Kravaal komt van Car en Vaal, wat steengroef en
dal betekent (vallei waarin een steengroef ligt). Een ander ontginningsgebied
was in de buurt van het hof te Moorter, tussen de wijken Doment en Nievel. De
steenkappers kwamen voornamelijk uit Wallonië. Ze woonden in een wijk genaamd
Huizekens, die nu nog steeds zo genoemd wordt. De steen werd dan vervoerd langs
de Putstraat, via de Dorpsdries over Kokerij en Klaarhaag naar Moorsel en verder
naar 'den Aart' aan de Dender in Herdersem, 'daer men den steen te ontlaeden
placht' volgens het boek der Kelderije uit 1456. Daar werd hij geladen op een
schip en vervoerd tot in Duitsland en Frankrijk. De handel in zandsteen was
zo belangrijk dat het vervoer per schip vrijgesteld werd van tol op de Hont
(Westerschelde) in 1283-1285 door de plaatselijke ridders. In 1247 gaf heer
Diederik, graaf van Kleef in Duitsland, vrije vaart in zijn gebied aan de met
steen van Affligem bevrachte Affligemse schepen. Na een inzinking tijdens de
14de eeuw ten gevolge van oorlogen, kende de zandsteenontginning in de 15de
eeuw een heropbloei. De abdij gaf het beheer van de groeven wel in handen van
particuliere exploitanten vanaf 1456. Vanaf de 16de eeuw zocht men ook groeven
in Asse en Zellik. Tegen de 17de eeuw beschouwde men de groeven in Meldert als
uitgeput. De streek liep dan ook als het ware leeg, wat onder andere blijkt
uit de toenmalige naam van het Hof te Putte, namelijk het hof te Woestijne.
Een laatste poging tot ontginning in de 18de eeuw liep op niets uit vanwege
de Franse Revolutie. Vele kerken en gebouwen in de omliggende dorpen werden
gebouwd met de Meldertse zandsteen, maar ook de Sint-Martinuskerk te Aalst,
de O.-L.-Vrouwkathedraal te Antwerpen, de Finisterraekerk te Brussel (Nieuwstraat),
de St.-Pieterskerk te Leuven, de kerk van Alkmaar (Nederland), Kassel, Amiens,
Amsterdam, ...
Ontstaan
der Meldertse zandsteen
De stenen, Balegemse zandsteen of zandsteen van Lede genoemd, ontstonden als
volgt: de zavel waarin later de zandsteen werd gevormd, werd hier afgezet door
de zee, die 40 miljoen jaar geleden tijdens het eoceen deze streken bedekte.
Tot driemaal toe overspoelde de zee onze streken en telkens trok ze zich terug.
Deze mariene oorsprong verklaart het groot aantal fossielen dat men hier vindt.
Tal van primitieve leefvormen, waaronder weekdieren, stierven af toen ze in
plassen achterbleven bij het terugtrekken van de zee. Zo ook de nautilus, een
oergeslacht van koppotige weekdieren met een grote spiraalvormige schelp. De
zandsteen ontstond door kalkneerslag uit het met kalk verzadigde grondwater,
na terugtrekking van de zee. Dit kalkcement kitte de zandkorrels tot zandsteen
aan mekaar.
Meestal kwamen de zandstenen voor in drie boven elkaar liggende lagen met een
hoogte van vier tot zes meter. De steen heeft een groot nadeel. Hij is gevoelig
aan vorstverwering (afvriezen) en vooral onderhevig aan chemische verwering
door inwerking van zuur regenwater en roetbestanddelen. Dit brengt mee dat vele
stenen na een min of meer lange tijdspanne moeten hernieuwd worden, omdat ze
totaal verpuinden. Moderne bouwtechnieken en gebruik van duurzamer materialen
hebben dan ook het einde betekend voor het bouwen van monumenten en belangrijke
openbare gebouwen in deze Lediaanse zandsteen.

Monument
‘De Meldertse zandsteen’
Op vrijdag 25 augustus 1978 werd op de dorpsdries te Meldert een monument onthuld
ter nagedachtenis van de zandsteenwinning. Een vijftiental reuzenstenen kwamen
er aan te pas, allen ontgonnen in de zavelputten te Meldert. De verticaal staande
steen is er een van rond de vier meter hoog waarvan één meter
in de grond. Hij weegt een slordige acht ton en vertoont duidelijke sporen van
fossielen. Aan de voet ligt de rest, horizontaal, gelaagd, zoals hij in de natuur
meest voorkomt.

Sint-Apollonia, Sint-Petronilla, Sint-Rochus, wijkkermissen, …