Eigen
klankkleur • Grimmige kracht
Wablieft? Mottekapper • Wablieft? Op gegist bestek • Wablieft? Servetieten • Wablieft? Peetjen Wannes en Tille de goeivraa • Wablieft? Gierla • Wablieft? Ontsteken en een rekeningenboek • Wablieft? Pech • Wablieft? Het WVD • Wablieft? Woordenaar Kiliaan • Wablieft? In 't oog springen • Wablieft? Test, teitekajoe, kop … een Latijns ommetje • Wablieft? - De Valuintjes • Wablieft? - Vlas en rieëten • Wablieft? - Raboest • Wablieft?
- Hel en duivel • Wablieft? Van ’t halverdrie
donker • Wablieft? - Zomaar een tasmuurtje • Wablieft?
- Kelders schieten en de mei steken • Wablieft?
- Steenputten • Wablieft en Wablaft • Prijzij • Gommen?
Jom! • Oe oetja? •
Rijsschalig • ’t
Werk op den akker
Dialect in de Faluintjes
De Denderstreek: een deel van het geheel
Het Nederlands omvat in zijn geheel een 25-tal
dialectgebieden. Daarin zijn in Vlaanderen vier grote groepen aanwezig: het
West-Vlaams, het Oost-Vlaams, het Brabants en het Limburgs. Maar tussen deze
groepen bestaan er nog drie interessante tussengebieden en één
daarvan is het dialect van de Denderstreek. Onze Faluintjesgemeenten behoren
tot dit taalgebied. Je zou het best als een overgangsgebied tussen de Vlaamse
en Brabantse dialecten kunnen beschouwen. Niet voor niets ligt ons grondgebied
op de breuklijn tussen het oude graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant.
Baardegem en Meldert behoorden immers tot aan de Franse Revolutie bij dit hertogdom.
Zelfs geologisch tekent onze streek zich af als overgang tussen de zandleem-
en leemstreek.
In het magistrale project Woordenboek Vlaamse Dialecten, op touw gezet door
de Vakgroep Nederlandse Taal van de Gentse universiteit, zijn reeds een twintigtal
boekdelen verschenen waarin via gedetailleerde taalkaarten en tienduizenden
trefwoorden de rijkdom van onze Vlaamse dialecten belicht wordt. Het is opvallend
hoe de Denderstreek hierin zijn eigenheid door zijn Brabants getinte Vlaamse
dialectwoordenschat bevestigt.
Het Baardegems, Herdersems, Melderts en Moorsels
behoren tot de dialecten op de rechteroeverkant van de Dender. Je zou ze als
Vlaamse dialecten in een Brabants kleedje kunnen beschouwen. Of zijn het Brabantse
in een Vlaamse jurk?
Elk van deze vier dialecten bezit zijn eigen klankkleur en in tal van gevallen
zijn eigen woordenschat. Het zou boeiend zijn te onderzoeken of er niet ook
enige syntaxisverschillen opduiken. Je hoort alleszins duidelijk of men uit
Baardegem komt of uit Herdersem. Liggen het Baardegems en het Melderts het dichtst
bij elkaar, het Herdersems vormt als het ware een dialecteiland met eigen specifieke
klanken. Zo is een ooës (huis) er een ousj en pooëten (kikkers) zijn
poujten.
Aangezien Moorsel de grootste van de vier deelgemeenten is, met raakpunten aan
elk van de andere gemeenten, is het niet ongewoon dat het Moorsels enkele duidelijke
varianten bezit. De noordkant tegen Wieze vertoont een eigen inbreng. Het grootste
deel van Gevergem (het Steven) behoorde immers eeuwenlang bestuurlijk tot het
Dendermondse kapittel. Een niet gering deel van Moorsel ging traditiegetrouw
kermissen en vrijen, werken en kerken in Wieze. Als dat geen taalsporen nalaat!
De zuidoosterflank met Achterstraat en Klaarhaag klinkt en oogt dan weer Brabantser:
het is de streek van levend Meldert (voor geboorte en huwelijk) en dood Moorsel
(voor overlijdens).
Ook in het Melderts bestaan er uitgesproken dialectvarianten: er ligt nu eenmaal
heel wat leemgrond tussen het Kravaal en Nezzens berg ...
Al bezit het dialect niet dat opgepoetst-glimmende
en gladde van het Algemeen Nederlands, klaargestoomd voor kansel, kennis en
“kommèrs”, het heeft in ieder geval zijn niet te onderschatten
grimmige kracht, zijn pittigheid en zijn onvervalst volkse aard van klinkt het
niet, zo botst het.
Weliswaar zit het Algemeen Nederlands in de lift. Gelukkig maar dat we eindelijk
radder van tong en gesmijdiger van taal worden. Jammer evenwel dat meteen, bijna
onomkeerbaar, de rijke gewesttaal met zijn stokoude woorden en zijn vinnige,
zintuiglijke gezegden dreigt teloor te gaan. Als een voorwerp zijn bruikbaarheid
kwijtspeelt, verliest het ook zijn taalgreep en wordt het in ’t beste
geval antiek: een ding, die dinges, dat dingen daar … Zo verdingt geleidelijk
onze taal, maar ook ons taalgevoel. Het is met het dialect gesteld gelijk met
ons leefmilieu en het ons omringende landschap: ze verdwijnen sprongsgewijs.
De Faluintjes maken hierop geen uitzondering (al hopen wij dat het tij keert).
Langzaamaan evolueren (degraderen?) onze dialecten tot een grijs regiolect,
een mengsel van mossel noch vis tussen dialect en ergens een bastaardtaaltje.
Moge het driemaandelijks rubriekje in De Faluintjes over het dialectische reilen
en zeilen een poging zijn om ons taalerfgoed in zijn markantste uitingen te
inventariseren en om dit nog even in het zonnetje te zetten.Reacties
zijn altijd welkom via het secretariaat van de vereniging of schriftelijk op
volgend adres: Frans Fransaer, Kruisabeel 99 - 9310 Moorsel.
|
Mottekapper |
Een mooi oud woord dat ik nooit meer terughoorde maar ook nooit meer vergeet, is mottekapper.
Een mottekapper is een straatorgeltje, een draai-ilgerken waarmee men langs de herbergen trok waar gedanst werd en waar, tussen twee dansen in, rondgegaan werd bij den halven dans. Men betaalde immers voor het dansen.
Ik hoorde onlangs op de radio zo’n draaiorgeltje en plots dacht ik aan het vergeten woord mottekapper. Het amechtig dreunen van zo’n muziekbakje heeft het vermoeide, hijgende en ietwat mechanische geluid van een hard wroetende motten kappende mottenkapper van vlees en bloed. Motten zijn van de boomwortel weggehakte spaanders en schooëren hout die gebruikt werden om de haard, de stoven en de bakovens te stoken. Dit hakken heeft het moeë ritme van ergens zo’n hortend muziekinstrumentje.
Luister goed naar een ilgerken en je begrijpt dat een boomkapper en een mottekapper veel gemeenschappelijks hebben. Gesteld dat je deze mottekappers nog hoort of ziet.
|
Op gegist bestek |
Mag ik u voor één keer een zeemansterm voorschotelen? Op gegist bestek varen, is varen op wat simpele berekening, in ’t Moorsels zouden we zeggen op goed valle ’t uit, blinjelinks.
Bij mist, op woelige zee ben je wel eens aangewezen op simpele berekening van voorziene koers, door snelheid van het schip en dus ben je overgeleverd aan de oude stuurmanskunst.
Omdat ik 75 jaar werd (veel verdienste heb ik daar niet aan), kreeg ik van de VVL, de Vereniging Vlaamse Letterkundigen, onze oudste literaire vereniging en eeuwelinge, een bronzen medaille. Nooit gedacht dat brons naar ’t Kruisabeel zou gaan; als tegenprestatie vroeg onze eeuwelinge wel een paar gedichten voor een literaire estafette. Als ’t dat maar is.
Wablieft? werd voor één keer dan een gedicht op goed valle ’t uit.
Gegist bestek
Ik ben nu niets dan vraag
er is geen losse flodder
van een antwoord.
Ik vaar voortaan
alleen nog
op gegist bestek.
Wij zien dus wel wat de nabije toekomst brengt.
Is niet ons aller leven een gegist bestek?
En het brons? Dat doet er niet toe, het is simpele franje.
|
Servetieten |
Brief van ons redactielid Jan Toelen in de brievenbus. Dat betekent werk aan de dialectwinkel. Jan legt graag zijn Brabantse oren te luisteren en zijn taalseismograaf slaat uit bij alles wat hem nieuw in de oren klinkt. Servetieten bijvoorbeeld.
Zo schrijft hij: “Eén van mijn vrienden uit Wieze laat zich onlangs in een gezellige koffiebabbel de zegswijze zonder sertefetieten ontvallen. De betekenis daarvan moet in de richting gaan van zonder complimenten, zonder overtollige franjes. Meteen begint bij mij het lampje pareltjes uit de rijke streektaal te flikkeren en ik begin dus jan en alleman daarover te ondervragen. Wanneer ik het gezegde aankaart bij buren in Moorsel, herkennen ze het direct en kennen ze het eensluidend dezelfde betekenis toe ….”.
Of ik dit zonder sertefetieten kan verklaren?
De sertefetieten zijn in ons dialect wel servetieten, een onnodige rimram van woorden, een tralala van overbodigheden en tamtam.
Het woord en zijn varianten zijn duidelijk afkomstig van servitude of erfdienstbaarheid. Een los, een nodige uitrit voor een achterliggend stuk land, was een erfdienstbaarheid, een servitude. Uit die servitudes kwamen heel wat burenruzies voort en niet voor niets belandde het woord overdrachtelijk en vervormd in het dialect en werd het hoofdzakelijk als pejoratief ervaren.
Ik moet niet weten van al uw servetieten, zwijg me over uw overbodige uitleg, spreek me niet over pietluttigheden, hou op met uw drukdoenerijen en gezever.
Nijhoff’s “Zuid-Nederlands Woordenboek” omschrijft servituut als “lastige formaliteit, omhaal, praatjes, drukdoenerij, flikflooierij”.
In Marcel Pieters zijn prachtig werk over het Lokers dialect zijn onze servetieten vervangen door Lokerse sèrtevetuuten. Als voorbeeldzin geeft hij: “Ze zijn zodder getràd zonder al te veel sèrtevetuuten”. Ze zijn (zij) getrouwd zonder veel omhaal. Is daar ook de verbastering met certificaat, bewijs, schriftelijke verklaring tussen geslopen? Met dialecten weet je maar nooit.
In Moerzeke vinden wij het nog verder verbasterde woord serrefletuiten terug. (Woordenboek Vlaamse Dialecten. Algemene Woordenschat. Aflevering 4. Karakter). Het heeft daar al weinig met servitudes te maken, maar wel met een wispelturig, grillig persoon, iemand met serrefletuiten, iemand met veel omhaal, een praatjesmaker, iemand met veel tralala. Uiteindelijk dan tóch iemand met servetieten?
Hoe een woord rollen kan. Ik hoop dat Wablieft? Dit althans zonder al te veel sertevetieten duidelijker maakt.
|
Peetjen Wannes en Tille de goeivraa |
Toen Wannes De Waegeneer, in 1841 te Moorsel geboren, er zich in januari 1861 inlootte om soldaat te worden, werd op dezelfde dag Clementina Van Handenhove in de kerk van Moorsel gedoopt. Wannes zag het mooie, mollige kind, warm ingeboesjeld in het familiestuk met doeëpklieëken en doeëpmoetsjken, terwijl de peter en de meter op staminee de boreling een tweede doop bezorgden.
- Wat is’t? vroeg Wannes.
- E masken.
- Dòò wacht ik nòò en traa ik mee, zei Wannes, beslist gelijk hij altijd was en zijn leven lang blijven zou.
En het gebeurde wat hij op ’t dorp in ’t café beloofd had. Op 5 mei 1883 trouwde Petrus Joannes De Waegeneer met Clementina Van Handenhove, in de mond Tille de goeivraa, de vroedvraa of d’achterwòòres genoemd. Tille was 22 jaar, Wannes 42.
Ze gingen op den Berg wonen in een van de huizekens van ’t kasteel die rootekaa nevvest ieën stonden, alle met een sierlijk trapgeveltje. Een paar huizen dieper den Berg af woonde later dokter Van de Maele. Wannes en Tille kregen tien kinderen, waarvan een meisje jong stierf aan de vliegenden tèèr, een acute longontsteking opgedaan op Moorselkermis.
Ons erelid Louise De Waegeneer, dit jaar 90, herinnert zich haar grootvader peetjen Wannes nog als een indrukwekkende man met een weelderig witte baard. Omdat het kleine huisje ook nog een smokkelwinkelken was, met een achtervloer om de kou buiten huis te houden, was er weinig plaats om alle kinderen te stouwen. Vader Wannes las graag voor uit het pak boeken dat hij toen al in huis had. Als hij vertelde zaten de meisjes rond de tafel en de jongens goetjsmoetsj op de trap, ieder op een trede. De Kezzekesfamilie was goed gekweekt en gedrild. Bijna iedere familie had in die tijd een bijnaam en bijna niemand wist dat Kezze Tille of Tille de goeivraa Clementina Van Handenhove heette. De Kezzekes kregen hun bijnaam omdat Wannes in de zomer te voet naar de vroegemet in Brussel trok om er verse kersen te verkopen.
In 1919 werd Tille meter bij het eerste kind van haar vierde zoon Gustaaf, die na de oorlog met zijn lief Barbara getrouwd was. Tille had het als vroedvrouw op de wereld helpen zetten en, omdat ze ook doopmeter was, moest het dan maar een Clementina zijn: Clementina Louisa De Waegeneer. Maar tussen Barbara en schoonmoeder Tille boterde het niet zodat Barbara haar dochter hardnekkig en nadrukkelijk Louise bleef noemen, Louise De Waegeneer en niks anders, poenjt.
Toen, twee jaar later, de champetter aan Barbara haar deur kwam kloppen om het kind tegen de pokken in te laten enten – iedereen zat nog met den daver op zijn lijf wegens de pas voorbije Spaanse griep - vroeg de veldwachter:
- Hebt gij een Clementina De Waegeneer?
- Ik en em gieën Clementine, zei Barbara kortaf.
En de champetter nog korteraf:
- Toenjt me aanen traaboek!
Maar ondanks schoonmoeder Tille, ondanks de champetter en zijn officiële Clementina, blééf Barbara haar dochter Louise. En zo heet ze vandaag nog, al maken ze er wel eens Wisken van. Toen Wannes in 1925 stierf, liet hij voor ieder van zijn kinderen meer dan honderd boeken na. Aldus Louise, niet zonder fierheid over haar grootvader peetjen Wannes.
Het huisje op den Berg waar ooit Wannes en Tille woonden, is het enige dat nu nog een trapgeveltje heeft.
|
Gierla |
Gierla
In de 185ste vragenlijst van het Woordenboek Vlaamse Dialecten kregen wij begin dit jaar, naast vragen over afgestelde heiligdagen, kwatertemperdagen, de zeven weken doen, te zeggeren gòòn, zijn geboeën krijgen en van de preekstoel vallen, ilgers, lantèèrekes en flambieëwen, enz. deze vraag 103 voorgeschoteld:
“Zijn er nog feestdagen van heiligen waarvoor u een dialectbenaming gebruikt? Zo ja, gelieve de benaming te geven en te zeggen om welke heilige het gaat.”
Een Faluinse kluif voor onze Sienjte Metten / Sint-Maarten (11 november), ons Magriet / Heilige Margaretha (20 juli), ons Sienjt Antonjt’n-mi-ze vèèrken / Sint-Antonius-abt (17 januari) en niet het minst ons eigenste Gierla / Heilige Gudula (8 januari). Al hebben wij ook nog den boeëneman Sienjte Meirk / Sint- Marcus (25 april), ge weet wel, die van Sienjte Meirk, boeënen of weirk. Met Sint-Marcus trok de Marcusprocessie voor de vruchten der aarde door ’t veld en langs de straten, die bestrooid waren met bloemen, snoeisel en papiersnippers, terwijl men de litanie van alle heiligen zong, de mooiste die er bestaat.
Maar we gingen het over Gierla hebben.
Gierla leeft nog in Moorsel
Ik vrees dat ge in Brussel niet over Gierla moet reppen, al pakten ze ooit zo met Gudula uit en al kreeg ze in de kathedraal ’t gezelschap van een aartsengel.
Toen bij de laatste babylonische straatnaamveranderingen Klein-Aalst haar Sint-Gudulastraat niet voor die in Moorsel wou opofferen, maakten wij er dan maar Gierlastraat van, het rustigste straatje dat begint aan onze afgedankte post en uitkomt in de kasteeldreef. Gierla is hier zelfs zichtbaar aanwezig op huisgevel nummer 7 met een bas-reliëf-ontwerp van kunstenaar Dirk Verstraete uit Eeklo en uitgevoerd door Lebbekenaar Baeyens. De stenen en keien voor het beeld werden door de bedenker van dit gevelmonument, Frans Jacobs, symbolisch in de omgeving verzameld.
De Heilige Gudula kreeg te onzent heel wat namen: Gudule, Sienjter Goelen, Goedele, Goele, maar in ons dialect bleef ze Gierla. Heel wat borelingen werden met een van deze varianten bedacht, toch zijn mij maar twee Gierla’s bekend: onze heilige en Gierla van Nieëlens Sisken Van Cauter. Ze was landbouwster en herbergierster in ’t Commerciehuis op ’t Kruisabeel. Als kind moest ik er geregeld om eieren gaan en van Gierla mocht ik ze zelf in een obscuur, geheimzinnig kiekerenkot gaan gèèren. Zo ben ik van de naam Gierla gaan houden. Waar een mens zijn frivoliteiten vandaan haalt …
Op ’t dorp kunt ge moeilijk naast de kapelle van Gierla kijken, dat laatgotisch juweel met binnenin een prachtige collectie 17de eeuwse schilderijen die de Vita van Gudula voorstelt. De grafsteen van de schenker ligt in de zijbeuk van de kerk, kant vrouwenouter en biechtstoel.
Omstreeks de feestdag van de Heilige Gudula, 8 januari, viert de confrerie van de Heilige Gudula in de kapel haar jaarlijkse mis, met nadien het teerfeest, dat gelijk alle teerfeesten heel oud moet zijn. Missen en kermissen horen nu eenmaal samen en zitten ferm in de geschiedenis geankerd.
De confrerie bestaat sedert onheuglijke tijden, wellicht als een soort vroege vakvereniging, een elkander steunende broederschap, maar haar definitieve plooi en reglementen kreeg ze pas in de 19de eeuw. Met de confrerie van Sint-Rochus behoort ze tot de bloeiendste van ons bisdom.
Iedere eerste zondag van de maand is het eigenlijk feest in Moorselkerk. Welk dorp kan bogen op zo’n druk bijgewoonde hoogmis die imposant begint met een aloud “Asperges me”, kwispel en wijwater incluis, met de gedragen gregoriaanse gezangen, door de meesten nog gekend, en met op het einde, voorafgegaan door de suisse, een statige processie met de jaar na jaar talrijker wordende leden van de twee confrerieën, ieder met zijn lantèèreken. Als orgelpunt een Latijnse “Tantum ergo” met veel wierook en zegen. Wie wordt niet graag gezegend? ’t Zal wel ergens deugd doen, zeker?
In de mannenkant van de kerk heeft Gierla een indrukwekkend glasraam, ik kan er mijn ogen niet van afhouden, met al zijn heldere kleuren heeft het iets vrolijks, zeker als de voornoense zon binnenvalt en het tafereel op de dikke pilaster vooraan projecteert. Gierla staat ook op de kuip van de preekstoel in een grote rococoschelp, kerkboek in haar rechter, lantaarn in haar linker, den doeljver op de loer met een authentieke blaasbalg. Niet voor niets hebben we op ’t einde van ‘t Kattenbroek en ’t begin van de Herdersemse Gudstraat / Goetjstròòt –wat schuilt er in een naam?- de oude mythische doeljversput, waar Gudula volgens de Vita de “auctor totius malignitatis” ontmoette, de bewerker van alle kwaad. De Boskanters bouwden er voor een keer geen bezwerend kapelleken maar een modern glasraam, dat ’s avonds verlicht wordt, Gierla ter ere en de voorbijgangers ten bate.
In haar “Toponymie van Moorsel” uit 1954 vertelt Anita De Vis de Gudulalegende aldus:
“Volgens de legende kwam de H. Gudula langs die weg elke nacht naar Moorsel om er in de kapel van de H. Zaligmaker te bidden. Op die weg ligt de duivelsput, waarin de duivel zou gevlucht zijn, toen een engel het lichtje dat hij uitgeblazen had, weer kwam aansteken. Die duivelsput ligt echter op het grondgebied van Herdersem. De kinderen gaan strootjes in die put steken die weggezogen worden, en het is natuurlijk de duivel die ze wegneemt.” (p. 87).
Een mooi kapelletje kreeg Gierla ook in ’t Kattestraatje, maar om het te sparen van ondergang, werd het door Philemon Saeys vakkundig in de Rommeleinweg tussen de Pee Klakstraat en ’t Exterken heropgebouwd. Gudula haar lantèèreken blijft lichten in Moorsel. Toch vraag ik me af waarom zij, die zo met kop en schouders boven de andere heiligen bij ons uitsteekt, nooit patrones van Moorsel werd, maar dat het Sienjte Metten werd, ondanks de zo talrijke Gudulaparafernalia.
Goed dat we een Gudul’s Kaffee hebben, weliswaar genoemd naar de bijna legendarische uitbaatster Gudule Cornelis, maar toch gerund door haar kleinzoon Peter, hoofdman van de Gudulaconfrerie die iedere eerste zondag zijn broederschap plechtig met eerbiedwaardige Gudulastaf aanvoert.
In 2012 zijn er in Moorsel Gudulafeesten n.a.v. de 1300e verjaardag van het overlijden van de Heilige op 8 januari 712. Rhede, het enige Duitse dorp dat de Heilige Gudula als patrones heeft, verbroedert / verzustert nu al en komt rond Pasen op bezoek. Als intro.
|
Ontsteken en een rekeningenboek |
Ontsteken is ergens zomaar binnenwippen voor een babbel, misschien is het wel afkomstig van een pijp tabak aansteken, een pijp ontsteken. Zo komt Ariël af en toe eens ontsteken: een pintje drinken, een sigarken paffen. Vriendschapsrituelen. De cigarillo’s liggen klaar op de oude radiohank naast ons moeder haar koffiemolen en de houten wekker die mijn vader van zijn maats cadeau kreeg als huwelijksgeschenk. Toevallig lag mijn zeemansboekje op tafel: zwartlinnen boekje vol stempels met aan- en afmonsteringen, een van de meest nostalgische voorwerpen in huis naast o.a. de koffiemolen, het horlogeken, een kruislievenheer onder stolp en moeders rekeningenboek van 1928 tot 1936. Zij was naaister en schreef er naast de palto’s, kleekes, frakvoorschoten en combinaisons ook alle rekeningen in toen ze in 1933 ons huis bouwden, van de notariskosten, 8 karren zavel,vervoer van steengruis, tèèrpapier, placeren van beerput en regenwatervat, venstertabletten, ringels, leenen en sloten tot en met het voegen van de gevels en het aankoppelen van den elektriek. Tussen de regels door kan ik het reilen en zeilen gissen hier ten huize. Zo vermoed ik wanneer ze van het voorouderlijke huis naar de nieuwe doening in de bogaard verhuisden.
Op 2 oktober 1934 - ze had nog net een kleed gemaakt voor Mathilde Triest - maakt zij een grote sprong naar 20 oktober waar ze herbegint met het maken van een kleed voor Alice De Block en twee rokken voor Stienens Martha en Maria … Ondertussen is ondergetekende geboren.
In een vorige Faluintjes laat Fred Van Biesen Alisken De Block als 100-jarige aan het woord. Alisken werd in 1908 in Herdersem geboren, maar woont nu bij haar dochter op den Drezzel in Moorsel. Alisken en haar zusters duiken regelmatig op in ons moeder haar boek want zij waren goede klanten op ’t Kruisabeel.
9 juni 1928: Voor het maken van een kleed voor Blokskens Alice: 20 frank, zijde: 6 frank, knoppen: 2,80 frank, 1 gesp: 2,75 frank, boorlint en nijpers: 1 frank. Samen: 32,55 frank.
Op 6 oktober 1928 bestelt haar zus Louise De Block een kleed voor 32,50 frank.
Op 20 januari 1929 - dat zal wel voor Sint-Antoniuskermis geweest zijn - laat Maria De Block 1 kleed en 1 kleeken maken.
Honderden namen vooral uit Wieze, Herdersem en Moorsel staan geboekstaafd in dat dikke boek met bruinkartonnen kaft, versleten linnen rug en linnen versterkingshoeken. De listerkes, gebrodeerde pèèlekes, bekskes in kant, satijn, fourrure en floer zijn er schering en inslag. Op het binnenschutblad een recept voor chocoladetaart met vallingsuiker. Maar wat is gallon, pointclair, crêpe de Chine, crêpe Georgette, een nacre gesp, toile de soie en een kraagje in picot? Als gij het weet, ik ook.
Jaren later zal het aan mij, Frans van Sis de Wittens Renil, zijn om in een ammelaken, bijeengehouden door twee keer twee toespelden, de paletots, bloezen, plisseerokskes, frakvoorschoten, kostumekes en popelinekleekes, met nu en dan een manspardessus, rond mijn hals gewikkeld, per fiets ter plaatse te bestellen.
|
Pech |
Net toen ik met mijn herfstwablieft halverwege was en de fonetische òò voor onze tweeklank au en ou op die vreemde toets met het Britse pond, de Griekse letter m en het Franse accent grave wou inoefenen, sloeg mijn laptop op hol.
De hele tekst werd in één oogwenk verbrod door ellendige spookvierkantjes, kruisen en strepen die zich petieterig en pesterig links in de kantlijn gingen posteren en mijn pagina’s dooreenrammelden. Pech. Mijn werk van twee dagen en veel nachten verknald, verknoeid, en kapot. Ik zat meteen in de rats, de penarie, de soep, de patatten, de puree.
Ik viel in panne, mijn Wablieft? aan diggelen en in duigen.
Dan maar dit spoedgeval ineengebokst dat in extremis nog naar de drukker kan.
Hoe hebben wij pech in het dialect?
’t Is om zjieëp, ’t is naar de botten, de knoppen, de tnoppen, de kloot en de kloten, de vaantjes en de verdommenis. Den boel is verdestruweerd, verkloetj. ’t Zit op zijn gat, ge hebt het aan uw been, aan uwe molen, on aa meelekes, on aane rekker, on aa frak. Ge hebt simpelweg malsjans, ’t is van den hond, ’t is van den hond zijn kont, ’t is van den hond zijn kodde en andere lijfelijke delen.
Zo gaat dat, beste lezer, met een prutstypist die maar zijn plan moet zien te trekken als hij het verpritsjt en verbrosselt. Eigen schuld, dikken bult.
Voor de krachttermen die hierbij opduiken: zie de talige room van juli 1996: “Vloeken en tarieësten”.
|
Het WVD |
Op de schrikkeldag van dit jaar werden in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in de Koningstraat in Gent niet minder dan drie dialectpublicaties voorgesteld. Er waren twee uitgaven van het WVD (Woordenboek van de Vlaamse Dialecten) namelijk “Verstand en Gevoel” (aflevering 5 van Algemene Woordenschat) en “Pluimvee” (aflevering 13 van Landbouwwoordenschat). Bovendien bracht Variaties VZW, de koepelorganisatie voor dialecten en oraal erfgoed in Vlaanderen, dit boek op de markt: “Variatie(s) op je bord! Dialect en jongerentaal voor eten en drinken”. Onze dialecten voorgesteld in deze sjieke 18de eeuwse doening: het kan verkeren.
Het WVD beslaat nu, met zijn bijhorend Wetenschappelijk Apparaat en de 21 jaargangen van hun mededelingenblad, zo’n twee meter op de boekenplank. Het project werd in 1972 gestart en behandelt de dialecten van Frans-, West-, Oost- en Zeeuws-Vlaanderen. Het geheel omvat de landbouwwoordenschat, de beroepen en de algemene woordenschat. De WVD-redactie kan rekenen op een goede 250 medewerkers/zegslieden die geregeld de toegezonden vragenlijsten beantwoorden. Zelf doe ik mee van 1974.
Onze Faluintjes, aanleunend bij Brabant, zitten vervat in de woordenschat van de Denderstreek. In de nieuwe publicatie “Verstand en Gevoel” staan ongeveer 150 lemmatitels gaande van dom en slim zijn tot raar en raar persoon.
Een handvol raren/ralen: tist, artiest, draadloze (nen drooëloeëzen),drolligaard, kastaar, kwiben, kwibus, kwiestenbiebel, rare apostel, rare apotheker, rare charel, teppen, schaa man , schaa jongen en vele anderen.
Voor dom en slim zijn hebben wij een keuze uit vijftien bladzijden pittige uitdrukkingen.
De langste rij vormen de humeurigen, die met het verkeerde been uit ’t bed stappen. Als ik goed geteld heb: 268 zegswijzen voor slechtgeluimden … die loeten hebben, in hunne viezen lopen, hun vel aanhebben, hun muts die scheef staat of die tegen de molje/malie zijn. Sommigen hun muil of hun toot hangt tot op hun knieën. In Meldert wordt dat volgens het WVD een azijngezicht, in Wieze een elfurenlijk en in Moorsel een gezicht gelijk een slechte halve frank.
Je zou er de seskes van krijgen.
|
Woordenaar Kiliaan |
Omdat de tentoonstelling “Kiliaan en het Woordenboek in de Nederlanden” met Driekoningen opgedoekt werd, wou ik kost wat kost op 2 januari nog naar Antwerpen sporen.
Mooi: de trein Aalst-Brussel eivol, dus rechtstaan, Brussel-Antwerpen overbezet, oververhit en traditiegetrouw lawaaierig met babelse spraakverwarring, Antwerpen zelf overdonderd door vroege koopjesjagers. Maar in de Fabiolazaal waar de tentoonstelling liep, was het zalig rustig met geen tien bezoekers tussen 11 uur en 13 uur, de gaafste muziek van onze Vlaamse polyfonisten op de achtergrond. Op de voorgrond Cornelis Kiliaan, woordenaar, woordsprokkelaar.
Kiliaan werd in 1530 in Duffel geboren en werkte het grootste deel van zijn ieverig bestaan als corrector in de beroemde uitgeverij van Christoffel Plantijn aan de Antwerpse Vrijdagmarkt. Hij deed er zijn werk zo nauwgezet en met zoveel overgave dat hij, omdat er nog geen volwaardig Nederlands woordenboek bestond, er dan zelf maar een samenstelde. Het werd zijn “Etymologicum Teutonicae Linguae”, de basis van alle Nederlandse woordenboeken na hem.
Hij sprokkelde in de loop van zijn leven meer dan 40.000 woorden samen die hij met een meestal korte Latijnse verklaring voorzag, maar niet zelden met een Hollandse, Friese, Duitse, Engelse, Spaanse, Italiaanse en zelfs Griekse en Hebreeuwse vertaling bedacht. Een fascinerend werk met onze gangbare Vlaams-Brabantse woorden uit de 16de eeuw.
Dat er een grote behoefte bestond aan een soort algemeen Nederlands dat onze vele dialecten overkoepelde, wordt duidelijk als je Kiliaan zijn verklarend woordenboek doorbladert. Hij ordent onze taal alfabetisch van abast, alabast tot wurghen met een behoorlijk vaste spelling. De Y en de Z werden ongemoeid gelaten omdat ze toen als i(e) en c of s gespeld werden.
In 1999 werd door de Duffelse heemkundige kring en de gemeentelijke archiefdienst Kiliaans woordenboek voor de zoveelste keer gedurende 400 jaar heruitgegeven. Het werd een standaardwerk van 770 bladzijden met daarbij een lijst van de aardrijkskundige namen van toen en de belangrijkste voornamen uit ons taalgebied. Ben je op zoek naar een verrukkelijke, oude voornaam in waarachtig Diets, Germaans,(Angel-) Saksisch, Gotisch of Vandaals? Eén adres: Kiliaan.
Taalgenot
Sla Kiliaan zijn woordenboek op om het even welke bladzijde open en je vindt de sprankelendste woorden die je je indenken kunt. Een pak ervan is in het hedendaagse Nederlands al lang verdwenen maar andere behoren nog tot ons gangbaar gebruik. Af en toe vind je woorden die onze ouders nog courant gebruikten maar nu afgedankt zijn en bij de jongere generaties al een Wablieft ? oproepen.
Een greepje uit de 40.000 ?
- Achtereergisteren
- Achterwaeren , Kiliaan verwijst met achterwaeren naar craemvrouwe. In ons dialect betekende een achterwares een vroedvrouw.
- Aerdappel, verckensbrood … Waar in de 16de eeuw aardappelen goed voor waren …
- Afgaende mane: laatste kwartierstand van de maan
- Als kacks, eskeks: terloops
- Aessemen: ademen
- Aker: emmer
- Aketisse, haeghdisse
- Balgh: buik
- Bierbuyck: toen ook al …
- Beloken paesschen: de zondag na Pasen
- Beddelaecken: in het Saksisch, Hollands, Fries en Sicambrisch: slaeppelaecken
- Biest, biestmelck: eerste melk voor een jong dier
- Blosard: wie flink bloost, nen blozout
- Broodbidden: bedelen
- Bussel hout, fascis, mutsaert ( meervoudig fasces: gebundelde roeden: het Romeinse symbool voor macht. Vandaar fascisme.)
- Daghwand, dagh wenden: akker die men in 1 dag omploegt.
- Dijnsdagh, dijstdagh: ons dooëstdag, dinsdag, dies Martis, de dag van de god Mars.
- Drille,trille, molenspille: spoelwiel
- Evel, malum, ramp, Sint Jans evel, vallende evel: vallende ziekte
- Eveldaad: misdaad
- Fickfacken, agitare, factitare: handelen, met iets bezig zijn. Zie ons dialect fikfakkelderooë.
- Fledercijn, vledercijn, flercijn, fledercijnachtigh
- Fricasseren: braden
- Frijt, cibus frictus, frijten, roosten
- Gabbe, schramme: kwetsuur
- Gabberdacie, iocus, grap, tijdverdrijf
- Gabberen: wauwelen, babbelen
- Goensdagh, Woensdagh, Godensdagh, Wodansdagh. In ons dialect: goenjstag.
- Ghelaslooper, sandlooper, stondglas
- Handgift: eerste verkoop ’s morgens
- Hinnenbesie: in het Moorsels nog altijd hinnebezen, frambozen.
- Hemdrocksken: ons oud-Moorsels woord voor pull, trui.
- Jonnen: gunnen
- Kaboel, tumultus. Wordt vermeld als oud-Vlaams voor lawaai. Vandaar boel maken?
- Kabas: in het Frans cabas, Spaans: cabacho, boodschappentas
- Kackhuys, latrina
- Kack-in-nest: kakenestje, laatstgeboren jong, kind. Dialect: kaggen ooët ’t nest.
- Kalander, korenworm
- Kalissenhout
- Kam, kamme, brouwerije, kammerstraete, brouwersstraete
- Kickhoest, kinckhoest, kieckhoest. Moorsels: kooëkhoest
- Kieckenhooft: scheldwoord
- Kladpapier: vloeipapier
- Kokenmaerte, kokenionckwijf: kookes
- Leeuwercke, leewerick, lewerck, lercke. Dialect laweirk, ook liaweirk.
- Masteluyn, misteluyn: masteluinenbrood met mengsel van rogge en tarwe
- Meelsuycker, poeyersuycker
- Menschschouwig: mensenschuw. Dialect: minsjeschaa
- Merlaen, merula: merel. Dialect: meeirlo, meervoud: meeirlonjsj
- Menisoen, rood menisoen, rood buyck evel, het rood: dysenterie
- Neusdoeck, snutdoeck
- Peperkoeck, libum piperatum
- Peterolie: petroleum
- Plateel: schotel
- Rabaud, boeve, truggheler
- Reumatyck, reumatijcke plaetse
- Schaverdijnen, schuyverdijnen, schrickschoenen: schaatsen
- Schaevernack, schaeverneck: afval van schaep, schaepshoofd. Waar halen wij onze uitdrukking vandaan: iemand bij zijn schabbernakken pakken?
- Seem, seemsch leder, seemen leder: zeemvel … zjieëmeleeir
- Staetgierigh: ambitieus
- Stier, varre: Dialect: ne verren, een norse man
- Swaenaerd, swaeninne: mannelijke en vrouwelijke zwaan
- Talioor: bord
- Tymmoes: tijm
- Vadde: luie vrouw
- Vischspaen, schuymspaen: grote, platte, doorboorde lepel, mijn moeder gebruikte een visspaan om aardappelen uit een kom te scheppen.
- Wack van lichaem, agilis: beweeglijk, lenig. In oud-Moorsels is ne zwakken iemand die lenig is.
- Wale, Wael, Gallus, Gallus Belga, vulgo Walo, Wallus
- Wondmeester: chirurg
- Wonnemaend: mei, vreugdemaand
Op de tentoonstelling in Antwerpen was een origineel exemplaar te zien met Kiliaans eigen randnotities en aanvullingen in zwarte inkt. Hij bleef maar dapper doorwerken in vorige edities tot in 1599 de definitieve uitgave van zijn woordenboek verscheen. Hij was toen op zijn 70de.
Zijn Nederlands is natuurlijk Brabants gekleurd. Toch was zijn werk dialectoverschrijdend bedoeld want hij wou gestalte geven aan de Nederlandsche Spraecke om ze op internationaal niveau te brengen. Hij vertaalde Nederlands in het Latijn als Lingua Belgica, Teutonica, inferior Germanica. Teutonica zouden wij als Diets kunnen omschrijven.
Prachtig dit onderdak vinden in zijn eigen taal waarvan ieder woord doordrenkt is met geschiedenis, drama, warmte en “lingwistiek” genot. En wat ons Baardegems, Herdersems, Melderts en Moorsels betreft … wij leren ‘t nooit af, wij blijven wonen in onze Vlaams-Brabantse moedertaal.
|
In ’t oog springen |
Weinig zintuigen hebben zo’n vat op de taal gekregen als het oog. Blind zijn wordt als heel erg ervaren want de hele wereld passeert ons door de ogen. Zelfs overdrachtelijk gebruiken wij het oog: wij kruipen door het oog van een naald, wij hebben kattenogen of katersogen, iets hangt met haken en ogen aaneen, culinair staan er vetogen op de soep en kunnen wij een peeirenoeëg bakken.
Drie maand nachtelijke kattebelletjes vullen (en geen oog dichtdoen) bracht ons volgende ogenoogst:
- In ’t oog springen: opvallen
- In ’t oog hebben: letten op iets, in ’t snotjen hebben, in de mot hebben
- In ’t oog houden: blijven letten op
- Mijn ogen vallen er op: zomaar opmerken
- Een oogsken in ’t zeil houden
- Iets op ’t oog hebben: van plan zijn
- Op iemand een oogsken hebben: verliefd zijn op
- Ooëter oeëgen, ooëter et: uit het oog, uit het hart
- Doe dat uit mijn ogen: doe dat uit ’t zicht
- Ik kan mijn ogen niet geloven
- ‘k Stond met haar oog in oog
- Iemand d’ogen uitsteken: uitdagend zijn, bluffen
- Ons Heer zijn ogen uitsteken: uitdagend schijnheilig zijn: ge kunt ook aan ons Heer zijn haar trekken
- Ogen trekken: verrast kijken
- Hij zal zijn ogen openzetten, hij zal zijn pieten opentrekken: idem
- Een oogsken trekken: schalks knipogen
- Iets doen uit ogenverblinding: voor de schone schijn
- Iet doen vi d’oeëgen van de minjsj’n: idem
- Mijn ogen vallen toe: vaak hebben
- Mijn oeëgen vallen toe van de vouk: vouklooëzen immen
- Zijn ogen sluiten voor: iets niet willen zien
- Zie uit uw ogen: kijk uit
- ‘k Zie gene steek voor mijn ogen: ’t is pikdonker
- Haar oogskes zijn klein: slaperig zijn
- Wallen, rann’n onder d’ogen hebben: wegens slaaptekort
- Zijn oeëgen zen grojjer as zennen booëk: meer op zijn bord nemen dan nodig
- Mijn ogen schemeren: niet goed meer zien
- Ze keek hem piet in d’oeëgen: ze keek hem vrank aan
- Geen oog hebben voor iets: niet opmerken
- Gij hebt zeker geen ogen: iets niet gezien hebben
- Geen oog toegedaan hebben: slecht geslapen hebben
- Ik heb er geen goed oog in: dat loopt niet goed af
- Kattenogen hebben: scherp waarnemen
- Zijn ogen staan niet op zijn gat: hij ziet alles
- Oeëgen op ze gat immen gelek de kouters: niets ontgaat hem
- ‘k Kan ’t zien met mijn ogen toe: blinjliengs kan ik het zien
- Aagt aa ann’n veer aa oeëgen da ge ’t nie ziet: als men iets niet wil zien
- Ik ben hem uit ’t oog verloren: iemand vergeten zijn
- Hij is uit ’t oog: hij is uit ’t zicht
- Sterlings kijken: strak kijken
- Looëmersoeëgen hebben: ’t is nen dooëker: iemand niet in de ogen durven kijken
- ’t Pitteken van d’oeëgen
- ’t Kinjeken van ’t oog: de iris
- Oeëgschelen mi pienkers: oogleden met wimpers
- Oeëgkassen: oogholtes
- Mijn ogen gaan achteruit: oogproblemen krijgen
- Iemand de ogen sluiten: bij het sterven
- Z’ is mo d’oeëgen toe te nijpen: ze is heel verzwakt
- Voor oogproblemen raadpleegt men nen oeëgmieëster
- Een stooëloeëg immen: ne zjieëker: een ontstoken ooglid
- Loeëpende oeëgen immen
- Een gelouzen oeëg: kunstoog
- Een blaad oeëg geklopt
- Sloupers in zijn ogen hebben: morgenkorstjes in het putteken van de ogen
- Mateere in ’t oeëg: etter
- Zijn oeëgen booën: betten
- Snieëblinjd zijn: verblind door de sneeuw
Ogentroost
Eet worteltjes om schone ogen te krijgen, bet uw ogen met kamillebloemetjes, in ’t Moorsels ippelooën. Of ge u best mijdt voor kooëoeëgenblommen (bosanemonen) blijft voor mij een open vraag. Waarom dit verrukkelijke bosbloemetje, dat zo fraai oogt in de lente, deze lelijke naam kreeg, is me een raadsel. Zeker Rembertus Dodoens zijn schuld niet.
Een paardenremedie tegen zieke, vermoeide en zwakke ogen vond ik in de 32de druk van Alfred Vogel zijn Kleine Dokter … “Laten wij eens een proef nemen met een heel bijzonder geneesmiddel: wij draaien het rad van den tijd terug en leven eens vier weken zonder elektrisch licht … uwe pijnlijke, brandende, vermoeide ogen, die hun dienst niet goed meer willen verrichten, zullen u voor deze verschoning danken door zienderogen krachtiger te worden.” En … doe Wablieft? uit uw ogen.
|
Test, teitekajoe, kop … een Latijns ommetje |
Het is lang geleden dat ik in ons dialect nog het woord test hoorde om kop, hoofd aan te duiden. Toch werd test hier vroeger dikwijls gebruikt, vooral dan lichtjes spottend.
- Hij liep met zijnen test tegen de deur.
- Zijnen test is geschalotterd (gekwetst).
- Steek dat goed in uwen test: onthoud dat goed.
Test heeft een duidelijk Latijnse inslag: een testa was een aarden pot. Is onze hersenpan immers niet ook een soort omgekeerde pot? Niet voor niets schuilt in hersenpan het woord pan. Test hebben we alleszins bewaard in een aarden test, een aarden kom van gebakken klei.
- Een test vlaaien.
- Een test kit: een kom kopvlees.
- Een test kooëkes: een kom met afgesmolten varkensvetrestanten.
Ook het Franse woord tête / hoofd is schatplichtig aan dit Latijnse testa. Testa werd teste, werd tête en wij maakten er test van: onzen test, onze kop, ons hoofd. Waar je het Franse “kapje” hebt, had je een ouder woord met de letter s. Denk ook aan het Latijnse fenestra dat fenestre / fenêtre werd en bij ons venster. Idem het Latijnse hospes / gastheer, gast en hospitalis / gastvrij, herbergzaam waaruit het Franse hospital / hôpital en ons hospitaal, gasthuis of …’t hospies groeiden.
Maar er is meer van dat fraais overgewaaid van bij onze zuiderburen. In kindertaal is een hoofd een teitekajoe, soms met de variante teitekazjoe. Hoe dikwijls heb ik dat niet in mijn kindertijd gehoord! Ook teitekop was gangbaar.
- Zijt ge op uwen teitekajoe gevallen?
- G’ hebt een booël / buil op uwen teitekajoe.
- Doet aa / uw teitekajoeken zeer?
Soms liet men kajoe weg en werd het gewoon teiteka / kopken, maar tête blijft in elk geval duidelijk aanwezig.
Kajoe was ook gebruikelijk voor kop. Het is een verbastering van het Franse caillou of kei. Een teitekajoe is dus letterlijk vertaald een … kop als een kei. Vandaar ons keikop.
Teitekajoe, teiteka en kajoe zijn derhalve synoniemen: hij kreeg ne steen op zijnen teitekajoe, teiteka, kajoe. Hij kreeg dus een kei op zijn kei …
Nu vraag ik me af of ne kazjoebereir ook niet uit datzelfde taalbad komt: iemand die maar wat aanmoddert, die knoeit, iemand die het in zijn ka(z)joe of kop niet al te best op een rijtje heeft.
En wat te zeggen van een kazjevang? Een vreemde snuiter, vangt ook die niet een beetje in zijnen test?
Ook ons Vlaamse woord kop werd gefinancierd door het Latijn. Het Latijnse caput werd leverancier voor ons kop, een mooi staaltje van taalevolutie: de letter a werd o en de uitgang viel simpelweg weg, althans zo komt het bij mij over.
In het Algemeen Nederlands trekt men wel zijn neus op voor ons Vlaamse kop. Ze doen dan maar, laat ze er een punthoofd van krijgen …
Onze uitdrukkingen met kop zijn in ieder geval talrijk en pittig.
- Ne kop: een koppigaard, ook een verstandig iemand.
- Dat is e kopken: dat is een groot verstand.
- Ne groeëtekop: belangrijk persoon.
- Hij heeft ten minste ne kop op zijn lijf: iemand met gezond verstand.
- Uit zijne kop rekenen: hoofdrekenen.
- Zijne kop uitwerken: koppig zijn zin doen.
- Als ze ’t in hare kop krijgt, is er niks aan te doen: vasthouden aan een idee.
- Op zijne kop gevallen: ze niet alle vijf hebben.
- Kopbrekens, kopzorgen hebben.
- Ne zere kop hebben: koppijn hebben, pijn in de kop.
- Mijne kop staat er niet op: ik ben te moe.
- Ik heb ne kop twee koppen dik: idem.
- Ik krijg er kop noch steeit / staart aan: ik kan dit moeilijk oplossen.
- Waar haalt ge dat uit uwe kop? Welke onzin kraamt ge uit?
- Laat uwe kop niet hangen / zakken: laat u niet ontmoedigen.
- Met zijne kop in de grond zitten: problemen hebben.
- Geen haar op mijne kop peist er op dat …: ik denk er niet aan.
- Mijne kop af als’t nie waar is.
- Hij is de kop ingeslagen: hij is dood geklopt.
- Steek dat goed in uwe kop, in uwen bol, in uwen test: gebiedend gezegd iets goed te
onthouden.
- Met zijne kop tegen de muur lopen: vergeefs tegen hindernissen opboksen.
- Daar moet ge ne kop op uw lijf voor hebben: wanneer men domme streken uitsteekt.
- O, gij kennekeskop: domkop.
- Geen ogen in zijne kop hebben: iets niet inzien.
- Hij heeft iets in zijne kop gestoken: het is een obsessie.
- Hij groeit boven mijne kop: ik heb er niets meer aan te zeggen.
- Ze eten d’oren van mijne kop: lastige, eetgrage kinderen hebben.
- De koppen bijeen steken: overleggen.
- Ne roeë / rode kop krijgen: beschaamd zijn.
- ’t Is nen ettekop: harde kop.
- Z’ is ne kop kleiner as haar broer.
- Hij rijdt op kop: vooraan rijden.
- Kop doen, kop trekken: idem.
- Zet dat uit uwe kop: denk er niet aan.
- Met zijne kop in de wolken lopen: onrealistisch zijn.
- Van kop tot teen: helemaal.
- Z’ hebben zijne kop zot gemokt / gemaakt: iemand nadelig beïnvloeden.
- ’t Zot in zijne kop krijgen: oudere mensen op de versiertoer.
- Zijne kop neerleggen: overlijden.
- Kop of letter: kruis of munt oproeien.
- Kopkekrawwen: een papegaai aaien.
Toemaatje: bij alle kopbrekens en kopzorgen: hou uw kop erbij, laat nooit op uw kop zitten of uw kop zot maken, hou kop boven water, maar vooral laat altijd uwen test werken.
|
De Valuintjes |
Ik had weer prijs. Had in een brief naar vrienden in de Westhoek het woord Faluintjes laten vallen en steevast kreeg ik de vraag terug: wat zijn dat, die Faluintjes?
Hoe dikwijls werd mij die vraag al gesteld en hoe dikwijls sta ik dan met mijn mond vol tanden? Zo’n raar, vreemd woord maar toch welluidend en aantrekkelijk, zo vaak gebruikt, maar ondoorgrondelijk.
In tal van jaargangen van ons lijfblad werd de vraag al geopperd. De colofon op de kaft reikt betekenissen aan voor onze moerassige slenk langs de Molenbeek. In de oudst gekende documenten heeft men het zelfs over falloerden en fallanten. In haar licentiaatsverhandeling over de toponymie van Moorsel (1954) verzamelde Anita De Vis wat ze vond door de eeuwen heen zoals faillante, fallante, falluynten, fallointjens, fallaentjens, enz. Het lijkt wel op elkaar. In ons dialect spreken we toch allen over de Falonjt’ns! Allen? En gij gelooft dat?
Onlangs vond ik tussen een stapel landkaarten “Wandelboekje Nr.13 Asse-terheide, Heilborre, Kravaal”. Samenstelling: Laurens Van der Schueren. Een uitgave uit 1973 van de Vlaamse Wandelaarsbond, filiaal van de VTB. Op de binnenkaft lees ik als reeds verschenen het nummer 9: “Dwars door de Valuintjes Meldert-Moorsel”… Valuintjes met V. Knipperlicht. Blijkt te kloppen. Tot in de jaren zestig sprak men zowel over de Valuintjes als over de Faluintjes. Met V of F, doet het er toe? Ik geloof van niet, maar de variante is wel boeiend. Meteen begreep ik waarom een fervent Faluintjeslid mij ooit op een Sint-Antoniustentoonstelling in Herdersem kost wat kost zijn etymologische betekenis van Faluintjes wou aansmeren.
- Valonjt’ns, zei hij, dat komt van vallée. En hij vertaalde beslist: vallée is het Frans voor vallei, de vallei van de Molenbeek. Ik knikte en antwoordde hem dat ik dat aanvaardbaar achtte, gelijk ik wel twintig varianten mogelijk vind. Goed gevonden. En waarom komt ons vreemdschone toponiem niet van Wallon, als oerwoord voor onze Valonjt’ns / Falonjt’ns? Walen die ooit naar onze regio afzakten, door ons mensen hier tot Walen, Waaltjes, Wallontjes herleid. De Franse double v wordt dan heerlijk verschoonvlaamst tot Vallontjes. Voilà! Over Wallon tot Vallon tot Valonjt’ns. Personen die uitgroeien tot streeknaam, de Wallons die in de Vallonjt’ns wonen: ’t Klein Walen, gelijk ‘t Klein Brabant en ‘t Klein Brussel …
Al te gek, natuurlijk.
Maar als die Walen nu eens uit het Naamse dorp Falaën kwamen? Gij dan?
- Dan zijn het Falaënen, zeg maar Faluinen …
- Maar weet ge dat er in het Haspengouwse een straat is die Faluinstraat heet?
- Uitwijkelingen uit de Faluintjes uiteraard!
Faluintjes of Valuintjes, om ’t even. Zolang de beekvallei tussen Meldert-vijver en het Moorselse Waver maar blijft wat ze is: van het mooiste wat onze streek biedt. En dat het zo nog een tijdje mag duren.
|
Vlas en rieëten |
Op zoek naar archivalia voor de tentoonstelling "100 jaar Tinnenhoekschool", botste ik op een pak oude schriften van mijn nonkels, ooit van het voorouderlijk huis De Wit op ’t Kruisabeel meeverhuisd naar mijn geboortehuis ernaast. Waren de schrijfboeken op Louis Domien De Wit (1) zijn zolder ooit voer voor de muizen, voor mij zijn het relieken geworden.Gemeenteschool van Moorsel
Schrijfboek van Vlaamsche taal
Toebehoorende aan
Willem De Wit
geboren te Moorsel
den 14 Juni 1902
Schooljaar 1913-1914In een mooi liggend handschrift krijgt Willem De Wit (2) op 2 april 1914, na een oefening in burgerplichten, een “ Dictaat Het Vlas “. Doorheen een dictee van 15 lijnen speelt zich de behandeling van het vlas af van zaaien tot oogsten en verwerken. Een heerlijke tekst, duidelijk bedoeld als oefening op de spelling van de voltooide deelwoorden, alle nadrukkelijk onderstreept.Het vlas wordt in de lente gezaaid. Na eenige weken in de aarde gelegen te hebben, schiet het uit, het is op weinig tijd volgroeid en rijp. Dan wordt het geplukt, in bussels gebonden en naar de schuur gevoerd. Hier worden de zaadknoppen er af gestroopt, welke in de zon gedroogd worden, zoodat zij openspringen en de zaden er uit vallen. Het gestroopt vlas wordt in bussels gebonden en in ’t water gelegd om te roten, na tien tot veertien dagen wordt het er uit gehaald, gedroogd, gebeukt, geknapt, gezwingeld, gehekeld en tot garen gesponnen. Dan wordt het gehaspeld, gekookt, gespoeld, getwijnd en tot lijnwaad geweven, dat den mensch van een onschatbaar nut is.Een complete terminologie.- beuken: het gerote en gedroogde vlas slaan.
- knappen: het kneuzen en breken van de stengels.
- zwingelen: onbruikbare deeltjes van de vlasvezels verwijderen.
- hekelen: het vlas over de hekel met opstaande pinnen halen om de lange vezels recht te trekken.
- spinnen: uit lange vezels door draaien een draad vormen.
- haspelen: tot strengen winden.
- twijnen: twee of meer draden ineendraaien.Vlaschaards en graanvelden hebben mij altijd om een of andere reden bekoord. Het laatste vlasveld in de streek heb ik gezien op de noordoosterhelling van de Herdersemse Monnikenbosbaan, de Minnekenbosbaankouter.
In de rootputten of rieëten, door plaatselijke bronnen of beken gevoed, werd het vlas geroot, d.w.z. in het water gelegd om beter de vezels vrij te krijgen. Op veel plaatsen zijn deze rieëten nog zichtbaar of minstens aanwijsbaar. Goed bewaard zijn die van het Zevenrieëtenbosken, een moerassige slenk halverwege Haverenbos, Houtenkruis, Hollestraat en Gevergemveldbaan. Maar iedere wijk zal er gehad hebben. In de winter waren het ideale schaatsbanen en ’s zomers kon je er plodderen en pootjebaden. Op ’t Kruisabeel hadden wij Siskes rieët. De beek vormde er een sierlijke meander achter Siskes Gierla (herberg ’t Commerciehuis) en de boerderijen van Nellissens Pee en Leons Pelle, om weer op ’t Kruisabeel aan Nieëlens Jef onder de straat uit te komen. Daar liep/loopt ze door richting Smetsbeeksken, vormde/vormt de grens Herdersem en Moorsel en mondde/mondt uit in de Monnikenhofbosbeek, waar momenteel Aquafin het rioolwater van het hemelwater probeert te scheiden.
Op ’t Steven had je Zjoukesrieët, Stokersrieët, die van Peroonens en vele andere. Iedereen geboren voor WOII kan nog plaatselijke rieëten aanwijzen. Spijtig genoeg dat vele gedempt werden. In feite kun je deze rootputten als historisch erfgoed beschouwen, ooit … "den mensch van een onschatbaar nut.”Raboest bisRaboest uit de vorige Wablieft? kreeg een staartje. Uit heel de regio kwamen raboeste berichten. Het stoere woord werd gemeld vanuit Moorsel (Albert Spinette en Jef Van den Steen), Baardegem (Marc De Bie), Aalst (Louise De Waegeneer), Lebbeke (André De Proft) en Asse (Jef Vermeir die verwees naar het even stevige rabauw). Jan Ardans uit Okegem stuurde ons het in 2006 uitgegeven boek “Azzoeë gezeid”, een inleiding tot het Okegems dialect door Jozef Van der Speeten en Patrick Praet. Op bladzijde 177 lezen wij: “Raboest: (robuust) stoer, bonkig persoon, iemand die nogal ruw is in zijn handelen.” Waaruit blijkt dat veel dialectwoorden, waarvan we denken dat ze eigen zijn aan onze directe omgeving, uiteindelijk regionaal zijn, al is er soms wel een plaatselijk klankverschil waar te nemen. Het allereigenste dialect van ons allereigenste dorp … vergeet het. (1) Louis Domien De Wit , Moorsel 1868-1957. Trouwde in 1893 met Maria Philips, Meldert 1868-Moorsel 1941. Kinderen: Frans, Karel, Renilde, Clemence, Pieter (= Willem = Guillaume), Jan (= Pieter) en Philomena.(2) Op school noemde men Guillaume De Wit Willem De Wit, maar daarbuiten was hij Giljong van Sis de Wittens Louis. In het gemeentehuis stond hij echter als Pieter De Wit ingeschreven, terwijl zijn jongere broer Pieë, Pieëken, Pee, Pieter, Petrus officieel Jan heette … Willem De Wit (Moorsel 1902 - Hekelgem 1974) trouwde in 1932 in Hekelgem met Juliette De Cuyper (Hekelgem 1907- 1949). Ze woonden er in de Dorpstraat die de Langestraat werd. Juliette was de dochter van Constant Achiel De Cuyper (Moorsel 1887 - Hekelgem 1926) en van Maria Adolphina Meert (Hekelgem 1887-1973).
|
Raboest |
Zelden gaat er een week voorbij of wij krijgen wonderlijke al dan niet Moorselse dialectwoorden toegespeeld. De bierviltjes, scheurbriefjes, kattebelletjes met vlug aan de toog of telefoon gekribbelde woorden veroveren stilaan mijn opgetaste tafels, de uitpuilende laden, volgepropte dozen, of ze kruipen uit mijn boeken, mijn jassen, mijn zakken. Tenminste als ik ze niet onmiddellijk thuisbreng in een paar aandikkende atomaschriften waar ze hun alfabetisch geklasseerd bestaan leiden als: Bargoens Moorsels, beroepen, bloemetjes (buiten), beestig, eigenschappen, eros & Co, eten en drinken, familie, gepaarde uitdrukkingen, hop, insecten, kindertaal, van kop tot teen, enz. Dit is noodzakelijk om het overdonderend aantal dialectwoorden en -uitdrukkingen enigszins bij te houden en terug te vinden, want niet zelden verlies ik de discipline om stante pede boekhouderlijk mijn atoma’s aan te vullen.
Soms arriveert er al eens een extra brief van dialectofielen die mij een ontdekking onder de neus schuiven. Altijd prettig. Altijd pittig. Brieven altijd bewaard en een enkele keer tot Wablieft? uitgesponnen.
Neem nu raboest.
Op 7 juli schreef Jan Toelen uit ’t Exterken mij deze brief die ik graag bijna woordelijk aanhaal.
… “Mijn schoonmoeder, Alice Vermoesen, (° Moorsel Kattenbroek 24/07/1915 - + Moorsel Exterken 01/12/2003) en weduwe van Frans Muylaert, gebruikte vaak het woordje “raboest” om daarmee een ietwat onstuimig kind of jongeling aan te duiden. Dat epitheton kon ze trouwens heel frequent aanhalen om één van de vijf, levendige kleinkinderen te benoemen die bij haar op hetzelfde hof in ’t Exterken woonden. “Azekk’n raboest’n” zei ze dan, zich zogezegd beklagend om de drukte die ze konden maken, en anderzijds stiekem blij dat dat “geweld” nog in haar directe omgeving dagelijks rondliep.
Een echt pejoratieve bijklank had dat woord “raboest” overigens niet. Het zegde alleen iets over de meer dan royale dosis energie en beweeglijkheid waarmee het kind gezegend was. Aan een raboest was niks maligne of kwaadschiks.
Als ik vandaag aan mensen van buiten Moorsel, bijv. van Aalst, Meldert, Herdersem, Baardegem vraag wat zij verstaan onder het woord “raboest”, dan moeten ze met gefronste wenkbrauwen forfait geven. Dat woord kennen zij niet. Maar ook meerdere Moorselaars zèlf houden er het zwijgen op; zelfs geen vermoeden.
Zou dit nu werkelijk een typisch Moorselse en bijna uitgedoofde term zijn of misschien zelfs geografisch sterk beperkt tot de wijk Kattenbroek waar onze moemoe is opgegroeid? …
… Een kolfje naar jouw hand? …”Ik gaf Jan zijn raboeste brief, meteen een rawoest antwoord.
De woorden raboest en rawoest leven nog in Moorsel, maar zijn op sterven na dood. Het doet er niet toe of men raboest of rawoest zegt, de letters b, v ,w wisselen elkaar soms in en dat niet alleen in de Vlaamse dialecten.
Raboest en rawoest zijn duidelijk schatplichtig aan robuust: krachtig, stoer, levendig, stevig gespierd maar ze hebben ook een bijklank van rap, reppig. Veel woorden die met een r beginnen hebben dat snelle, dat reppige.
- reppig, ne reppigen, een reppige
- ne reffel, ne reffelèèr, een reffeles
- ne roefel, ne roefelèèr, een roefeles
- ne rapiet, van rapide, rap
- een rat: een vlug kind
- ravotten : nogal ruw spelen
Verwant ermee zijn:
- speelvogel
- drooëtop
- drooëmelen
- zenuwpees
- iemand die op de zenen werkt
- die kan geen moment, geen minuut stilzitten
- ne wiljewouter
Zelf geeft Jan een paar hints: een rabas is een onbesuisd, onnadenkend persoon en op rabot gaan is op zwier gaan (maar dat is geen Algemeen Moorsels). Je kunt in raboest en rawoest niet een ondertoon van ruwheid uitsluiten, iemand die wild en woest is, die van duivel noch helle benauwd is. We hadden het in onze rubriekjes al eerder over een answoest (Faluintjes 1999, p. 240). Bij een answoest komt het woeste, het norse om de hoek kijken: zoiets als iemand met een raa ziel, een brute bieëst die nogal onverzaa, schietloeës, drooëloeës en loemp is. Soms is ze een loembotsje, soms is het ne vieze verren, ne rif, ne loempen donder.
Raboesten en rawoesten zijn niet noodzakelijk answoesten. Answoesten daarentegen hebben altijd iets van een raboest of rawoest in zich.
Dialect moet je soms op het grammetje na afwegen, het zit hem altijd in de nuance, het is de schakering die er een draai aan geeft. Maar de raboesten en rawoesten zijn in Moorsel nog niet verdwenen. Althans niet helemaal. Zelfs de answoesten niet.
|
Hel en duivel |
Deze zomer waren de satanisten in hun nopjes want zij beleefden
op de zesde dag van de zesde maand van het jaar zes hun duivelse hoogdag,
de dag met het satanische getal 666. In het laatste en prachtige boek van
de Bijbel, de Apocalyps, heeft Sint-Jan van Patmos het op het einde van zijn
dertiende hoofdstuk over het getal van het beest dat het getal van het kwaad
is. Knack, dit jaar ook al in de ban van het beest, had zelfs een duivelsnummer
666 met vlammend rode letters op zwarte achtergrond. Zes juni werd echter
een zalige, hemelse dag, de eerste zonnige dag na een uitgeregend voorjaar.
Het ziet er naar uit dat het kwaad in onze maatschappij meer interesse wekt
dan het goede, niet het minst als wij het leeuwenaandeel zien van het aantal
uitdrukkingen dat met hel en duivel te maken heeft.De engelen komen er in
onze dialecten echt bekaaid van af.
Sedert onheuglijke tijden hebben wij in Moorsel een fameuze duivelsput op
de grens met Herdersem, Sint-Gudula wist er van mee te spreken. Niet weinigen
zijn er ’s nachts in tij en ontij in paniek langs getrokken. In ’t
Hoeksken hebben onze ouders nog de herberg In de Helle gekend. Zelf heb ik
nog weet van het café Bij den Duivel in de Kruiwagen, momenteel huist
er in de verbouwde doening een lief Maria-gevelkapelleken …
In het Moorsels en in het Herdersems noemen wij de duivel doeljver, een zwaar
woord met die donkere oe-klank. In Baardegem en Meldert wordt hij een dievel.
- Van doeljver of helle benauwd zijn: geen schrik hebben.
- Ik doe dat niet, nog voor den doeljver niet.
- Den doeljver is er mee gemoeid: bezeten door het kwaad.
- ’t Is bedoeljverd: het kwaad is ermee gemoeid.
- ’t Is naar den doeljver: ‘t is naar de knoppen.
- De doeljvers zitten er op.
- Van den doeljver bereeën zijn: bezeten zijn.
- Hij is doeljversbenaat: heel bang zijn.
- Hij is ervan bedoeljverd: iets kost wat kost willen doen.
- Hij heeft den doeljver in: tegendraads zijn.
- ’t Is een echte doeljverinne: een duivelse vrouw.
- Ge zult naar de helle gaan, de doeljvers zullen u komen halen.
- Zijn ziel aan den doeljver verkoeëpen.
- Ik kan dat om de doeljvers niet vinden: vergeefse moeite.
- Bij den doeljver te biechten gaan: slechte raad volgen.
- Zennen doeljver is doeët: zijn heftige rol is uitgespeeld.
- As den doeljver aat/oud werd, drinkt’n wooëwouter/wijwater: schijnheilig
oud worden.
- Als ge van den doeljver spreekt, ziet ge zijne steeit/staart: plots iemand
zien waarover men aan ’t praten is.
- ’t Is oun gelijk den doeljver en zijn moer: ’t is goed aan tussen
twee trawanten, ‘t is Manten en Kalle.
- Zennen doeljver drooën, zennen doeljver scheeiren: de beest uithangen.
- Ge zult branden gelijk den doeljver in d’ helle: ge zult uw verdiende
straf niet ontlopen.
- Staan doeljveren: staan knoeien
- Een echt doeljversjoenk: een duivelskind.
- Als den doeljver dood is vechten ze voor zijn vel: het kwaad duurt voort.
- Den doeljver is doeët, maar hij ligt met joengskes: idem.
- Spettelen / spartelen gelijk nen doeljver in een wijwatervat: tegenstribbelen.
- Iemand den doeljver aandoen: iemand kwaad berokkenen.
- Den doeljver voor uwen nievejour krooëgen: niets krijgen , er naast
pakken.
- Nen doeljverdoedaal: iemand die alles kan.
- Loop naar den doeljver: loop naar de bliksem.
- Gelijk nen doeljver uit een doosken springen: bliksemsnel.
- Hij springt erop gelijk den doeljver op Zjeraar / Geraard: zonder nadenken
aan iets beginnen… Waarom wordt Geraard gelinkt aan de duivel? Waarom
hebben ze in Gent een Geraardduivelssteen …?De duivels hebben natuurlijk hun standplaats in de hel.Hel
en duivel horen nu eenmaal samen.
- Ge zult naar d’ helle gaan gelek de pooëten / puiten no de grecht
/ gracht.
- Ge liegt, ge gotj no d’ helle: ge liegt, der komt e krooës op
aa verooët / voorhoofd.
- Ge zult branden gelijk den doeljver in d’ helle.
- Ge zult branden: spottend gezegd tot iemand die een kleinigheid mispeuterd
heeft.
- De zonne schijnt en ’t reeigert, ’t is keiremis / kermis in
d’ helle.
En ken je nog een doeljverken? Dat is een zwart, klein, rond
stoofke van zowat een halve meter hoog waarop de was en de varkensbras afgestookt
werden. En de hellewagen? De Grote Beer die de Poolster aanduidt door vijf
keer het schof van de wagen te verlengen. Een hellenbrander is een grote,
schitterend zwarte kever, de gouden loopkever, die hier bijna uitgestorven
is. Toen destijds de eerste helikopters verschenen, werden ze door sommigen
hellekoters genoemd, wellicht wegens het hels lawaai dat door die vreemde
tuigen opgekoterd werd. De mensen willen altijd greep krijgen op de dingen:
iets be-noemen is het proberen te kennen, er pak op krijgen.
Hel en duivel zijn nooit uit de circulatie verdwenen, om de haverklap keren
zij terug, zo zelfs dat ze in zijn via de hedendaagse pop- en rockmuziek.
Het beest heeft immers zijn poptop en zijn blackmetalfans. En ruikt halloween,
gelijk de commercie het offreert als surrogaat voor Allerheiligen, ook niet
een beetje naar hel en duivel?
Gelukkig maar dat de pelgrims en fans van Sint-Jan nog nooit zo talrijk naar
zijn verrukkelijke Griekse eiland Patmos toegestroomd zijn. Zeker sedert het
een landingsbaan kreeg want de lentes, de zomers en de herfsten zijn er hemels.
Alleen de winter is er des duivels.
|
Van ’t halverdrie donker |
Onlangs werd ons een reeks gezegden en uitdrukkingen bezorgd
die verband houden met dom zijn , onnozel zijn als een mus, een klap van de
molen hebben en aanverwanten. Blijkbaar bestaan er tal van schakeringen in
deze menselijke eigenschappen gaande van een simpele vijs kwijt zijn tot een
dikke zero zijn, van zijne frank die niet wil vallen tot een goddommesen ezel
zijn of ne slimmen van ’t halverdrie donker.- Te stom om te helpen donderen.
- Nog stommer as ’t peeit van Christus en dat was nen ezel.
- Op zijne kop gevallen, van zijnen trap gevallen, van de leeër gevallen,
uit de pruimelaar gevallen.
- Hij is een vijs kwijt, daar staat een vijs los, al zijn vijzen staan los.
- Hij mankeert iets in zijn bovenste kamer.
- Hij heeft ze niet alle tien, hij heeft er maar tien en nen bezekoek.
- Ge kunt er schavakken mee gaan vangen.
- Hij weet van voor niet dat hij vanachter leeft.
- Gij goddommese metteko , wat moeten we met u gaan beginnen?
- Ene van ’t halverdrie donker,ne stomme kloot.
- Van rootjen getikt, hij is bij de zijnen niet.
- Van de mour gereeën.
- Hij weet niet van welke proche ( parochie) hij is.
- Zijn horloge loopt weer achter.
- Ne wuiten, metten, mettekeskop, troeten, simmen, slimmen, kezjevang.
- Een triet, trezebees, een dikke zero, een goele.
- Ne kwieben, kwibus, kaljen.
- Ne goddommesen uil, ezel.
- Hij tert deer.
- Ge kunt er de vijf minuten mee houden.
- Hij is rijp voor Lee, voor Sint-Niklaas.
- Als ’t er nie inzit, kan er ’t nie uitkomen.
- Hij was thuis dan nog de slimsten.
- Hij was thuis de slimsten niet.
- ’t Is nooit te vroeg om uw verstand te krijgen.
- Zijn wijsheid liep er zo af.
- Nen onnozele zjieëker.
- Hij kan alleen nog nie zjieëken.
- Als ge niet slim zijt, kunt ge niet slim doen.
- Onze slimmen is niet thuis.
- Hij loopt met zijn zjep ( vest ) ’t achterste voor.
- Van wie zou hij ’t gaan geleerd hebben?
- Zijn verstand is ’t laatst gekomen.Wie zijn oren te luisteren legt, kan al dit fraais nog geregeld
in onze streek opvangen. Zet uw tv maar eens af.Demwee
We ontvingen twee reacties op ons Moorsels tasmuurtje of demwieë.
Gaston Heyvaert deelde ons mee dat in Wieze oude mensen nog spreken over een
dennewieë om zo’n tasmuurtje in een schuur aan te duiden. Een den
is een vastgetrappelde plaats. Op zo’n den in de schuur werd het graan
“gedissen”.
Heeft densjelen of staan trappelen ook met den te maken? Over een partijtje
grond dat platgelopen of overdensjeld is, zegt men alleszins dat het een “echten
den” is.
Xavier Merckx , afkomstig uit Moorsel maar in Kapellen wonend, wist ons te
vertellen dat de ruimte naast een tasmuur in Moorsel de winkel heette waar
’t jonge volk naar hartelust in ’t stro kon ravotten.
Wij vermeien ons naar hartelust in ons vergeten dialect, ravottend met onze
taal.
|
Zomaar een tasmuurtje |
We zaten na de
laatste bestuursvergadering nog wat na te praten toen plots Ariël het
woord demwieë liet vallen. Niemand kende het, ik evenmin.
Ariël had dit van zijn moeder Anna Buyle gehoord. Het bleek een heel
oud woord te zijn, zo’n stenen of houten scheidingsmuurtje in een schuur,
naast de inrit voor de karren, een muurtje van nagenoeg 1 meter hoog waarachter
vooral het stro opgestapeld of getast werd, zeg maar een tasmuurtje.
Omdat het woord demwieë me zo fascineerde, sloeg ik er thuis ’s
avonds laat het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten op na. Het WVD, dat actueel
taalmonument in wording dat intussen al een twintigtal delen omvat, die sprankelende
taalbron zo diep in onze volkse cultuur genesteld, eeuwenoverspannend. Wat
popelt er niet allemaal in onze taal en waar komt het vandaan?
Ik zocht het deel Landbouwwoordenschat, Behuizing, een van hun eerste publicaties
omdat de woorden i.v.m. de landbouw in onze tijd de meest kwetsbare zijn die
het vlugst uit onze dialecten aan het verdwijnen zijn. Na enig speurwerk vond
ik het lemma tasmuurtje met uitleg over niet minder dan vier bladzijden gespreid,
foto en taalkaartje incluis. (1)
Ik ontdekte er niet zomaar een paar synoniemen maar welgeteld 78 met daarbij
nog ettelijke varianten in uitspraak en schrijfwijze! Meer dan 100 woorden
om in de Vlaamse dialecten (niet eens de Brabantse, Zeeuwse, Limburgse, laat
staan Hollandse) tasmuurtje te zeggen!
Wie minachtend zijn neus voor het dialect ophaalt, beseft niet welk een overstelpende
rijkdom in onze dialecten verscholen zit.Ik was benieuwd
hoe Anna het woord demwieë zou uitspreken. Zou de klemtoon op dem of
op wie liggen? Is het een de-woord of het-woord?
Ik kreeg haar ’s anderendaags aan de lijn, Anna met haar klare stem,
in haar origineel, klankrijk Moorsels. Het was de demwieë, klemtoon vooraan
op dem, gelijk in onze meeste samenstellingen.
Of ze mij geen voorbeeld kon geven waarin zij het woord demwieë gebruikte?
Zonder aarzelen zei ze:
- De demwieë stou klamp, ’t za reeigeren.
- De demwee voelt klam aan, ’t zal regenen.
En nadien:
- Men zjip ligt op de demwieë, oljt ze dou.
- Mijn jas ligt op de demwee, haal ze daar.
Anna is afkomstig van den Triest, een van die oude grensstraten tussen Moorsel
en Wieze, straten die dezelfde naam delen zoals ook Populierenstraat en Kruisabeel.
Tot in het Ancien Régime behoorde deze regio, gelijk trouwens een groot
deel van Wieze én Moorsel, bestuurlijk tot het Kapittel van Dendermonde.
En wat stelde ik via het WVD vast? Dat het woord demwieë nog stevig verankerd
zit in de streek van Dendermonde en wel onder deze varianten: deneweech en
denewieë, denweech ,denwieë en denwieëch!
Die m in Anna’s demwieë doet er niet toe, een dialect is zo onvoorstelbaar
soepel dat het zich gemakshalve naar ieders mond plooit.
|
Kelders schieten en de mei steken |
Veel
bouwvergunningen had men eertijds niet nodig als men een woonst, een doeningsken
of een kottenhuizeke wou optrekken. Meestal volstond een redelijke afstand tot
een bestaand bouwsel of tot de rooilijn of lijnstelling van de kasseiweg of
boerebaan. De gevolgen zijn er dan ook naar: bijna heel Vlaanderen werd één
lintbebouwing in alle mogelijke en liefst onmogelijke stijlen. Toch werd in
Moorsel op 10 februari 1934 al een serieus gemeentelijk reglement afgekondigd
om het "schoonheidsuitzicht der straten te bevorderen”. In vetjes
staat er zelfs bij – de pappenheimers kennend - dat het "onnodig
was zich tot het Schepencollege te wenden om afwijkingen te bekomen aan de schikkingen
van het reglement dat strict moest toegepast worden" (zie: Faluintjes 2002,
jaargang. 15, 1, blz. 117).
Wat men bij het bouwen vermeed was een huis in of bij een zomp, een rotteriengk,
ne moorpoel, een (vlas)rieët of in afgelieëgde, ooëtgevirremde
grond. Naast de beken en grachten had men eeuwenlang overstromingen maar die
aangespoelde leemgrond was wel uitstekend om uit te vormen in steenovens waar
de klieëm tot baksteen werd verwerkt. In de Hollestraat zag je tot na de
laatste oorlog de restanten van zo'n oven. De uitgevormde gronden waar de plakkerige
klei uitgestoken was, lagen diep en laag en werden een ware natzak, niet geschikt
om er te bouwen. Wie het toch deed, zat meestal voor lange tijd in (natte) nesten,
al waren het ’s winters wel ideale plaatsen om te schoffedooënen.
De huizen werden vroeger gewoonlijk opgetrokken in deze plaatselijke boeresteen
waarin nog
vaak de asserestjes te bespeuren waren. Sommigen hadden hun eigen veldoven om
hun huis te bouwen en nadien verkochten ze de rest van hun stenen. Voor degelijker
materiaal was je aangewezen op Boomse of Rupelmondse steen, facadesteen rode
of gele “parementsteen”,
idem voor de boterhammekes of platte steen die nodig was om kelders te dichten.
In ieder dorp had je wel een bouwondernemer waar je aan je materiaal kon geraken.
Te Bosmans of bij Noeëken Keenienk leverden ze baksteen, dakpannen, cementpannen,
pannen met enkele of dubbele sluiting, cement, rijnzand, zavel, kalk, ploster,
gravieë, kooëren om beton te gieten, (bemerk in ons dialect het wonderlijke
meervoud van kei/kooë, keieren/kooëren!) golfplaten en eternietplaten,
buizen, tichels, betongooëzer en ankers. Bij Craeckers en bij Lowie De
Coninck van de zougerooë kon je terecht voor alles wat hout betrof.
Met wat geluk kon je zavel in je eigen tuin vinden, soms werden tuinen zodanig
omgewoeld dat het haast werven werden. Waar zijn ze gebleven, de zavelputten
uit onze jeugd, die droomplekken voor kinderen om er de fantazierijke avonturen
te beleven!
Niet zelden botste men bij het schieten van de kelder op een harde schirre,
al dan niet doorspekt met verrekte schooëren ooëzermoul, aaneengeklit,
iet-of-wat ijzerhoudend spul zonder waarde.
Na het leggen of gieten van de fonderieng, al dan niet door aandammen met stieëngrooës,
begon het ernstige werk voor de metser. Een azjetek/architect was onnodig: je
kon vertrouwen op een meester-metser of simpelweg op een gedegen metser met
een paar metserdieners.
Een partieken moeëtel afmouken deed men met de troefel om de cement, het
rijnzand, de zavel en het water herhaaldelijk te mengen, te keren en te verzetten
tot volwaardige metselspecie, goei masjandies voor de metsjerooë.
Voor koeterieng, stallekes, duiven- en kiekerekoten speelde men zelf architect.
Met wat zelfgefabriceerde assesteen en wat golfplaten werden droomkoten voor
alle kleinvee bijeengeflanst. Met graag een fliereleeir ernaast om geluk te
brengen en om lente- en winterkwalen met flierblommen, flierbezen en fliersaroop
te lijf te gaan.
In elk geval werd het iedereen ingepeperd te zaaien naar zijn zak en te bouwen
naar zijn portemonnee, best hield je nog wat vievers over, want jezelf de-kop-in-baan
was, naast verkeerd trouwen, de stomste toer die je kon uithalen.
Als uiteindelijk de mei op de schouw gestoken werd, en er kon nog een feestje
af, volstond een bak bier hiervoor ruimschoots. Een tractement achteraf met
een wafelenbak en een druppel was ook niet mis. Met driekoningenavond bijvoorbeeld:
Wil 't stopsel van de fles eens vooëzen, want onze stem is reeds verflauwd
...
|
Steenputten |
Doordat
Jan Toelen uit ’t Exterken aan de redactie een foto van een oude waterput
met enkele benamingen van onderdelen bezorgde, prikte hij ferm in ons geheugen
want waar zie je nu nog waterputten ? Aangezien er destijds nog geen kronjt’swouter
(kraantjeswater, leidingswater) door onze dorpen vloeide, moest men zich behelpen
met eigen of gemeenschappelijke putten.
Er bestonden heel wat soorten putten. De oudste waren stieëpitten (steenputten)
of gemetsjte (gemetselde) putten. (Oudste is veel gezegd want eeuwen geleden
had men al waterputten met meestal eikenhouten wanden). Niet zelden stond er
een zadeldakje boven de putschacht die nagenoeg een meter boven de grond uitstak,
gemetseld was en waarin horizontaal een boeëm (boom) of wienjdas (windas)
tussen stenen (steunen) of hengsels paste. Aan deze boom zat een zjieël
(hijstouw) of een ketting waarmee men met een ouker of ieëmer (aker of
emmer) het grondwater bovenhaalde door aan een zwiengel (zwengel), wienje (winde)
of zwiengelbalk te draaien, al dan niet aan een wiel bevestigd.
Het metselen van een steenput was vakwerk.
Roger
Hiel en Angèle Van Driessche van ’t Steven, die een paar putten
op hun Valckesevveshof hebben, beschreven ons het metselen van zo’n waterput.
Intuïtie, toeval, geluk, wiechelroej …het speelde allemaal mee om
een goede oeër (waterader) te vinden. Men begon te graven en dan metselde
men op een houten steunring een ronde schacht in de kuil. Die werd nadien telkens
ondergraven zodat de metsjerooë (metselwerk) gaandeweg meezakte terwijl
er nieuwe metsellagen bovenop kwamen tot men beneden op de gewenste waterader
stootte.
Later gebruikte men betonnen buizen of cilinders van ongeveer een meter hoogte
en een meter doorsnee. Men groef tot men een buis in het gat kon laten zakken,
dan een tweede, vervolgens de rest. Gewoonlijk waren in onze streek drie tot
vijf buizen nodig. De laatste en dus bovenste had een ietwat conische kop waarop
een houten deksel, een scheel of een betonnen dal kwam. De aarde werd bij het
uitgraven met een schalk (een soort katrol) aan een driepikkel bovengehaald.Men
zat met kweddelen (pech) als men toevallig op kwelp of kwellem (drijfzand) stootte
zodat de put kon toeëpslougen of inieënschooëten.
Brouwerijen hadden hun eigen, reuzengrote, gemetselde braarspitten (brouwersputten)
met soms een diameter van zes meter.
Metser-herbergier Sis de Wittens Lowie had op ’t Kruisabeel een van de
beste gemetste steenputten van de streek. Zelfs in de heetste en droogste zomers
had hij overvloedig, goed en koel water. Zijn pomp gaf nogal! In een van de
vooroorlogse zomers kwam er zo’n acuut watertekort dat zelfs de brouwerij
Van Roy in Wieze met watergebrek zat. Ze zijn toen bij Lowie een voorraad water
komen oppompen. Hiervoor beloofden ze hem een halve ton bier maar Lowie heeft
er wel mogen naar fluiten! Anno 2005 bestaat deze steenput nog, het water blijft
er even overvloedig en koel als voorheen. Of het nog dezelfde drinkkwalitiet
heeft, betwijfelen wij …Na
de steenputten kwamen de geboorde putten als waterwinning. Van diepteboringen
met kleine doorsnee haalde men vlug meer dan tien meter diepte. Men moest dan
wel een schirre (harde zandsteenlaag) doorboren om diepere aders te bereiken.
Met een perspomp werd de vrijgekomen aarde bovengespoten tot men de nodige waterader
vond. Daar ontstond een soort konkel waar het water zich verzamelen kon om het
op te pompen.
Momenteel heeft men centrifugepompen die het water tot grote diepte naar boven
kunnen duwen. Ze worden vooral gebruikt in de tuinbouw of in de industrie.Naast
de oude steenputten met windas waar het water emmer na emmer bovengelabeurd
werd, waren ook houten pompen in gebruik: een uitgeholde boomstam werd verticaal
tot beneden in de put aangebracht, bovenaan kwam in de stam een slot en een
ieëmerken (emmertje) die het water bij het pompen tot in een toot (meestal
uit lood) brachten. En zwengelen maar ! ’s Winters zette men rond de pomp
een “kas”, opgevuld met kaf, tegen het bevriezen. Zo trok men zijn
plan. De houten pompen verdwenen compleet en werden vervangen door fonten (gietijzeren)
of moderne varianten.
Als je ’t mij vraagt: een lange weg van de steenputten naar de factuur
van TMVW.
Frans Fransaer
Nogmaals
prijs voor prijzijZelfs
taalkundige Prof. Dr. Johan Taeldeman bemoeide zich met onze prijzij (zie De
Faluintjes 2005/2 en 3). We laten hem hier via notaris Janssens het prijzijlicht
uitdoen. Zo schrijft onze dialectoloog:Het
is met veel vertraging dat ik u de gevraagde informatie over het woord prijzij
bezorg. Maar ja, de zomer heeft zo z’n vertragingsmaneuvers. Mijn excuses
hiervoor. Ik hoop dat u zich kunt troosten met het spreekwoord ‘Beter
laat dan nooit’.
Het woord is te vinden in het allergrootste woordenboek van onze taal: ‘Woordenboek
der Nederlandse Taal’ (1882-1998). In deel 12, kol. 4227 trof ik het woord
aan onder het lemma PRISIE (maar prijzij staat er ook bij als nevenvorm). Het
woord is enkel Vlaams. Het bestond al in het Middelnederlands (vorm: prisie)
en gaat terug op het Oudfranse ‘prisie’ of ‘prisee’.
Er worden twee nauw verwante betekenissen opgegeven, waarvan vooral de tweede
ons interesseert.
Als eerste betekenis van het woord staat vermeld: schatting, taxatie (met een
citaat uit 1649 uit de Costumen van het Brugse Vrije). De tweede betekenis is
als volgt omschreven: Geschat bedrag, inzonderheid vergoeding die een vertrekkende
pachter ontvangt wegens bemesting en bezaaiing van het land. Daarbij staat een
citaat uit 1671: ‘Op pene dat aen den selven pachter t’ sijnen afscheeden
danof gheene recompence ofte prysie en zal bygheleyt worden’ (Vlaams Placcaetbouck
3, 417).
Hieruit blijkt duidelijk dat het woord in zijn huidige betekenis al heel lang
in de Vlaamse dialecten bestaat.
Clementine, een trouwe
lezeres van De Faluintjes, houdt niet op mij te verrassen (op haar 86 gaat
ze nog iedere week dansen). Rad ter tale als ze is, sluist ze me geregeld
gezegden en woorden door die een paar eeuwen doorstaan hebben. Nu eens in
haar zuiverste dialect, dan weer in een onberispelijk, bloemrijk Nederlands.
Al een paar jaren is ze gedichten gaan schrijven, diepzinnige verzen getuigend
van een rijk gemoed en grote taalvaardigheid. Nu en dan zet haar kleinzoon
ze in een mooiste letter van zijn computer. Voorwaar, een merkwaardige vrouw
die haar roots stevig in Moorsel geankerd weet.Ik kreeg haar weer aan
de telefoon. Ik grijp dan naar pen en papier maar ook naar een stoel want
voor een half uur krijg je haar niet van de lijn.- Kinje da rozjeken van
Wablieft en Wablaft?
- Nieën ik, zeg ik.
- Listerde?
- Joo ik.
- ‘k Za ’t ne kieë opzeggen.
- Doeta.
- Wablieft en Wablaft zoute soumen in den boeëm, Wablaft valt er ooët.
Wa zitj er nog in den boeëm?
Even stilte, overvallen door het rozjeken / raadseltje.
- Wablieft, zeg ik.
- Ge zijt er op, tien op tien. En weet ge wat mollekespoeëten zijn?
- Handen die niet naat ’t werken staan, twee linkerhanden hebben.
Poeëten roepen navenante klanken op, ge zijt dichter of ge zijt het niet.
- En zo zwet as ..., pardon, ... mollekeskloeëten?
- Dat zal wel naar den donkere kant zijn …
- Zo zwet as nen doeljver.En zo blijft Clementine
de sappigste uitdrukkingen belgacommen en test ze mijn dialectvastheid. Soms
wordt het de ene resem na de andere, het ene brengt het andere mee. Den doeljver
/ duivel roept dan bedoeljverd op. ’t Is bedoeljverd. ’t Is naar
de knoppen.
- En tegelageer?
- Tegendraads.
- Tegelageer, gelijk als ik kind was. Wat al lappen rond mijn oren heb ik
daarom van ons moeder gekregen, zegt ze.Maar haar moeder was ook
niet op haar tong gevallen, ze kon ’t goed zeggen met haar heldere klepper
van een stem. Clementine heeft dezelfde klepel-van-de-klok-stem met dezelfde
levendige majeur-toonaard. En allebei kunnen ze even gevat uit de hoek komen.
Ge moet van ver komen om ze bot te zetten.
Als ik het telefoongesprek wil afsluiten, zeg ik:
- ‘k Moet mijn bed nog opmaken.
En zij:
- Is ’t kapot?
Twee seconden later, (... hier heb je Clementine weer):
- Doe de groeten aan de toonegdijtfeelen.
- Wablieft? vraag ik.
- Wablaft?
- Toonegwatte?
- Toonegdijtfeelen!
- Is dat Jiddisch?
- Vloms, begot! Hoe oud ben ik?
- 86.
- Keer dat eens om.
- 68. Achtenzestig, gelijk gij er uit ziet …
En zij dan weer, met veel majeur in haar stem:
- Schrijf toonegdijtfeel eens op.Doe ik. TOONEGDIJTFEEL.- En keer dat eens om
…
- LEEF … TIJD … GE … Leeftijdgenoot!
- Gaat ge de groeten doen aan mijn toonegdijtfeelen?
-Z allek.Waarvan akte. De groeten
aan alle tachtigers!PostNa een kettingreactie
van e-post (via notaris Janssens en de professoren Marcel Janssens en Stefaan
Top) bezorgde Ariël Van den Bossche ons volgende tekst van volkskundige
Stefaan Top over prizij (zie Fal. 2005.2).
“… jouw vraag omtrent de etymologie van het woord prijzij. Ik
heb aanvullende info gevonden in: L.L. De Bo, Westvlaamsch idioticon, Gent,
1892, p. 772. Daar staat o.m. het volgende vermeld onder het trefwoord “prezij”,
“prezie”, “prizij”:
“Begrooting, schatting, waardering, fr. prisée, estimation.
De prezij doen van vruchten op den akker. De prezij van al de roerende have
van een huis. De prezij betalen (iets betalen volgens dat het geschat is)
….”.
Volgens priester-deken-dialectoloog Leonard De Bo (1826-1885) gaat het (West)vlaamse
woord in kwestie terug op het Franse “prisée”, wat perfect
kan kloppen. Als geboren en getogen Langemarknaar (omgeving van Ieper) ken
ik dat woord en weet ik dat de invloed van het Frans op de volkstaal echt
relevant is ...”Waarvan (nogmaals)
akte.
Ik had er wel
een vaag begrip over, dat het met waardebepalingen van gronden te maken had,
maar het fijne wist ik er niet van. Noch van Dale, Verschueren of Nijhoff
konden me helpen.
Zelfs in de duizenden bladzijden van het alsmaar dikker wordende Woordenboek
Vlaamse Dialecten kwam ik het maar een paar keer tegen, zijdelings dan nog,
zonder de uitleg die ik nodig had. Mijn toevlucht vond ik op 't Steven bij
Roger en Angèle Hiel-Van Driessche. Direct roos want Angèle
haar vader was nog landmeter geweest.
Prijzij, prezooë, prooëzooë ? Roger bezorgde mij de volgende
uitgebreide verklaring:
"... Met prijzij bedoelen landbouwers de waarde aan voedsel zoals stikstof,
fosfaat, potas en humus die de grond bevatte op het tijdstip dat een akker
of een weide veranderde van eigenaar of huurder. De waarde werd vastgesteld
naargelang de vruchten die er laatst op groeiden en de meststoffen die verondersteld
worden nog in de grond te zitten. Kwamen hierbij in aanmerking de vruchten
die nog op het veld staan of geplant en gezaaid werden zoals klaveren, snijgraan,
toemaat (tomout, laatste snee gras voor de winter) ... Ook werd de waarde
bepaald naargelang de grond proper ligt of vol onkruid staat of als het land
een jaar of langer vogelwei (vogelwieë, braak) heeft gelegen. Voor weiden
gold de regel of het gras gehooid werd of afgegrazen door vee en hierbij nog
of de omheining in goede staat was en of er al dan niet een omheining was.
Meestal was het bepalen van prijzij iets waarover landbouwers het vaak oneens
waren, dan kwam er een landmeter aan te pas die de prijzij moest bepalen.
Die landmeter vroeg als loon gewoonlijk het tienvoudige van de prijzij die
door de beide partijen, ieder de helft, moest worden betaald.
Voor de huidige pachtwet in voege kwam kon een landeigenaar met Kerstmis zijn
huurders hun pacht opzeggen met een simpel aangetekend schrijven: de huurder
moest na twee jaar weg van het land dat hij soms jarenlang bewerkt had. Het
was dan ook normaal dat die nijdig werd op degene die na hem de grond mocht
bewerken, om die reden zal hij gedurende die twee jaar zijn grond niet meer
bemesten, zodat hij die vruchten kweekte die weinig mest nodig hadden. Wanneer
zo iets gebeurde kwam er dikwijls ruzie van die soms generaties lang kon naslepen
...".
Frans Jansegers uit Herdersem bezorgde mij een reeks documenten waaruit blijkt
dat men prijzij als een uittredingsvergoeding kan beschouwen, een vergoeding
voor mest en na-vetten en die verband houdt met het soort gewas dat er laatst
op gekweekt werd. De prijzij werd gewoonlijk berekend volgens de plaatselijke
gebruiken. Toch bestaan er nog altijd prijzijbarema's: de vergoeding die men
aan de vorige pachter verschuldigd is voor de verbetering van de grond. Deze
barema's kunnen zelfs aangevraagd worden bij de provinciale landbouwkamer
van het provinciebestuur.
Prijzij: een oud woord maar dat nog altijd geen dood woord blijkt te zijn.
Achteraf werd me ook nog deze typische uitdrukking doorgesluisd: eirem land
is eireme prezooë: de prijzij zal laag zijn als de grond er armtierig
en uitgeput bijligt.
Ook mijn schoonzus herinnerde zich nog een gezegde met prijzij: toen haar
nonkel Jan Frans Van de Perre (Hekelgem 1881-1941) bij een verkiezing gevraagd
werd voor een bepaald persoon te willen stemmen, antwoordde hij: "Wij
kiezen voor ons prijzij !". Waaruit blijkt dat prijzij ook nog andere
ladingen dekt.
In het laatste
nummer van De Faluintjes beloofden wij in een voetnoot weer te zullen komen
op een rare vorm in het dialect: namelijk de letter M in de eerste persoon
meervoud van de werkwoorden (wij, we).
- oe oeëtemen? hoe heten wij?
- wa doemen? wat doen wij?
- wat etemen? wat eten wij?
- lezemen da goed? lezen wij dat goed?
- krooëgeme snieë? krijgen we sneeuw?
- gommen weg? gaan we weg?
Maar ook in andere vormen keert deze M weer:
- jom: ja wij.
- ba nieëm: wel nee.
Dat het dialect vele bokkesprongen maakt is duidelijk, maar meestal zit daar
wel een reden achter. Die reden is vaak gemakzucht. Als wij letters kunnen
weglaten zullen wij niet aarzelen:
- kit: kon.
- pitj: peter.
- moe: moeder.
Omdat bij inversie (omkering) de letter W van wij en we moeilijker uit te
spreken is dan de M wisselen wij ze simpelweg in en laten wij de laatste letter
van het voorgaande woord versmelten met deze M. De letters N en W na elkaar
uitspreken vraagt meer lippenwerk en uitspraakenergie, dus maken wij van de
twee een M. N+W wordt M:
- maken wij: moukemen.
- wensen wij: winsjemen.
- laten wij: loutemen.
Merkwaardig evenwel is dat ook in de normale werkwoordsuitgangen bij de wij-vormen
van heel wat vreemde talen een M staat.
- Latijn: oremus, wij bidden.
- Grieks: doulévoume, wij werken.
- Spaans: vamos, wij gaan.
Wij lopen dus op geen slecht spoor met ons dialectische oeëtemen, etemen,
gommen ... Zitten we hier met een oeroud, archeologisch taalfragment, een
wonderlijke taalscherf?Post: ringscheuren
Na dat wij het woord rij(s)schalig enigszins wisten te duiden in het vak van
de houtbewerking via een tekst uit de achttiende eeuw (zie De Faluintjes,
2004, nr. 3) kwam de zekerheid van de betekenis van het woord uit onverdachte
hoek. Wij kregen interessante reacties van een meubelmaker uit Wieze (Gilbert
De Wolf ) en een gepensioneerde schrijnwerker uit Hekelgem (Longinus Van de
Velde).Rooësgoulig, rij(s)schalig
betekent ringscheurig.
Longinus Van de Velde e-mailde naar de redactie onder andere het volgende:"Rijsschalig
zijn planken uit een boom met ringscheuren. Een boom met ringscheuren wil
zeggen dat de jaarringen (groeiringen) op bepaalde plaatsen los zijn gekomen.
Als men deze boom in planken zaagt, vallen deze gezaagde planken uit elkaar
al naargelang de ernst van de rijsschaligheid of ringscheuren. Vooral notelaars
hebben hiervan te lijden doordat bij een stevige winter de jaarringen van
elkaar kunnen vriezen, ook kastanjelaars zijn gevoelig. Een andere oorzaak
is het onoordeelkundig vellen van bomen.
Velen hebben al houthakkers aan het werk gezien en hoe dezen een boom op een
bepaalde plaats kunnen laten vallen. Dat is onder andere een noodzaak om geen
rijsschaligheid te veroorzaken bij gezonde volwassen bomen. Indien men door
gelegenheidsvellers bomen over elkaar laat vallen is er grote kans dat de
boom bij het vallen zodanig geplooid wordt (lees: jaarringen of groeiringen
zo erg gerokken worden) dat deze van elkaar losscheuren. Hier heeft men dan
weer te doen met ringscheuren en wordt deze boom rijsschalig genoemd en dus
van nul en generlei waarde als commerciehout. Dan wordt het afgevoerd als
brandhout."
Met dank aan onze geïnteresseerde tipgevers.
Hoe heet dat?
Oe oetja? Hoe heet ik, gij, hij, zij, het? Dit is correct Nederlands, maar
je kunt sommige filologen de gordijnen injagen door de vraag te stellen: hoe
noemt dat, hoe noem ik, hoe noemt gij, hij, zij, het? enz. Zij vinden het
dooreenhalen van heten en noemen een ergerlijke fout die zich in onze taal
genesteld heeft gelijk een virus in een computer.
Merkwaardig is dat wij in ons dialect de correcte Nederlandse vorm hoe heet
dat, oe oetja? bewaard hebben, terwijl oe noemta? des (taal)duivels werd.
In de vervoeging van het werkwoord heten krijgen wij dan de volgende dialectische
vormen:
| Enkelvoud: | |
| 1 Oe oeëtik? Oe oeëtekik?2 Oe oetje? Oe oetjege? Oe oetjegooë? |
3 Oe oetj’n? Oe oetj’ne? Oe oetj’nooë? Oe oetjsje? Oe oetjsjeze? Oe oetjsezooë? Oe oetj’nt? Oe oetja? Oe oetjdadde? Oe oetjtees? |
| Meervoud: | |
| 1 Oe oeëtewe? Oe oeëtemen? Oe oeëtewooë? Oe oeëtewooëlen? Oe oeëtewellen?2 Oe oetjegooëlen? Oe oetjegellen? |
3 Oe oeëteze? Oe oeëtezooëlen? Oe oeëtezellen? |
Eigenlijk is oe noemta, oe noemekik, oe noemdege, enz. bastaarddialect,
hoewel dit stilaan meer gebruikt wordt dan het oudere oe oetja, oe oeëtekik,
oe oetjege, enz.
Omdat men het nogal zwaardialectische oe oetja een beschaafder tintje wil
geven, gaat men aanleunen bij het gemakkelijker maar foutieve oe noemta. Men
past het aan aan de verkeerde uitdrukking omdat die chiquer zou klinken. Taalsnobisme
dus. Of hoe de nieuwste truttigheid zelfs tot in ons dialect toeslaat: het
dialect dat op zijn tippen gaat lopen …*Oe oeëtemen:
over het wonderlijk opduiken van de letter m in de eerste persoon meervoud
zetten wij in de volgende Wablieft? wel een boompje op.
In
de vorige Wablieft? leek het alsof de stokoude woorden oulkettig (ongelijk)
en rooësgoulig (hobbelig) landbouwtermen zijn die allebei te maken hebben
met een akker die ruw en hobbelig ligt, met zware klotten (kluiten) die nodig
geklemd moeten worden.
Niets is minder waar. Gaat dit wel op voor oulkettig toch komt rooësgoulig
uit een andere hoek, namelijk uit de houtbewerking. Van een stuk hout dat ongelijk
van kwaliteit is en dat vervelend veel wieërs (weren) met knoesten in het
hout bevat, wordt gezegd dat het rooësgoulig is.
Toevallig ontmoetten wij het woord rijsschaligheid in een artikel over de constructie
van een nieuwe trekschuit tussen Aalst en Dendermonde, de rivierboot die door
mensen of paarden over de tragel of trekweg langs de Dender voortgesleept of
geketst werd (l): ..."de plancken sullen moeten wesen van de alderbeste
qualiteijt sonder ...rijsschaeligheijd ofte eenige cnoopen ..."
Deze achttiende-eeuwse spelling van rijsschaeligheijd met dubbele s lijkt te
wijzen naar een afleiding van rijs en schalig, op schaal van, in de aard van.
Rijs of rijshout is een knoestig takkengeval van taaie struiken en bomen. Blijkbaar
wegwerphout dat vooral gebruikt wordt om erwtjes te rijzen (eitrooës) of
om ineengevlochten rijsschuttingen te vervaardigen, knoestig takkenhout of rijsschalig
hout dus. Om een stevige bargie of trekschuit op stapel te zetten is er wat
anders nodig dan rijsschalig, minderwaardig spul met "quaede cnoopen
welck in het voorleden jaer in het winter saisoen gecapt is." Een
schrijnwerker, een timmerman, een bargiemaker heeft marchandise vandoen, wars
van weren, knoesten en cnoopen.
Frans Fransaer^
Top